© ANP Siese Veenstra

Waarom Nederlandse vakbonden hogere looneisen moeten stellen

  • Dat heeft de vvd (+pvda) gedaan om het MKB de nek om te draaien.
  • En de zorg

Terwijl de grootste vakbond van Duitsland een fikse loonsverhoging heeft geëist – en gekregen – komen de Nederlandse vakbonden niet verder dan een voorzichtig ‘voorstel’. Waarschijnlijk omdat ze benauwd zijn voor rechtse politici en economen die klaar staan om te piepen over het gevaar van zulke eisen. Econoom Hein Vrolijk legt uit waarom zijn vakgenoten het mis hebben.

IG Metall, de grootste vakbond van Duitsland, is onlangs met de werkgevers tot een akkoord gekomen: 4,3 procent loonsverhoging voor de werknemers, plus het recht op een 28-urige werkweek gedurende twee jaar. En wat doen de Nederlandse vakbonden ondertussen? Heel weinig. Zij komen niet verder dan een armetierige 3,5 procent loonsverhoging, en dat is dan alleen nog maar een voorstel. Terwijl toch ook in ons land de arbeidsmarkt bijzonder krap is geworden en in verschillende sectoren veel bedrijven te weinig mensen hebben. Denk bijvoorbeeld aan de bouw en technische installatiebedrijven.

Krijgt de Nederlandse vakbeweging misschien al bij voorbaat zwakke knieën vanwege de kritiek waarmee rechtse politici en economen altijd op de proppen komen er looneisen worden gesteld? In hun ogen leiden hoge looneisen namelijk tot een loon-prijsspiraal, zelfs in deze tijd, waarin we inflatie zo hard nodig hebben – althans volgens de Europese Centrale Bank.

De critici baseren hun bezwaren op de zogeheten Phillips-curve en een variant daarop, de NAIRU. Zijn die bezwaren terecht? Nee, wil ik alvast verklappen.

Maar eerst even een beetje helderheid: die Phillips-curve en de NAIRU, wat houden die precies in?

De Phillips-curve

De Phillips-curve (zoals te zien in de onderstaande figuur) is een theorie die suggereert dat werkloosheid en inflatie uitwisselbaar zijn, dat er dus sprake is van een trade-off. Oftewel: als de overheid de werkloosheid fanatiek wil bestrijden, of de vakbond stelt hoge looneisen, is een stijging van inflatie onvermijdelijk. Omgekeerd zal het fanatiek beteugelen van de inflatie leiden tot een hogere werkloosheid.

Gelijktijdig de werkloosheid én de inflatie omlaag brengen, dat is volgens deze theorie onmogelijk. ‘There ain’t no such thing as a free lunch,’ zoals economen vaak zeggen, sinds Milton Friedman deze uitdrukking als titel voor zijn boek uit 1975 nam. Of, om een vergelijkbaar spreekwoord te gebruiken: ‘You can’t have your cake and eat it too.

Volgens de theorie zou de Phillips-curve in de praktijk het volgende betekenen.

Wanneer de overheid de bestedingen gaat stimuleren – bijvoorbeeld door meer overheidsuitgaven, of door belastingverlaging zodat particuliere bestedingen kunnen toenemen – raakt de arbeidsmarkt oververhit. Dat leidt tot hogere lonen, en die worden weer doorberekend in de prijzen. Bij monetaire politiek geldt hetzelfde: door een verlaging van de rente kunnen bedrijven, gezinnen en overheden goedkoper lenen, en dus meer besteden, wat uiteindelijk prijsverhoging teweegbrengt.

Hoe logisch de redenering ook klinkt, de feiten bepalen of het in werkelijkheid ook klopt

Dus: wat zegt de empirische toetsing van deze theorie?De samenhang die door de Phillips-curve in beeld wordt gebracht, lijkt in eerste instantie voor de hand te liggen. Maar hoe logisch deze redenering ook klinkt, uiteindelijk bepalen de feiten of de werkelijkheid zich daadwerkelijk op deze manier voordoet. 

William A. Douglas heeft de Phillips-hypothese in 2016 voor de Verenigde Staten op de simpelste wijze onderworpen aan een controle, namelijk door op jaarbasis de inflatie- en werkloosheidspercentages van 1965 tot 2015 met elkaar te vergelijken. Hij kwam tot de conclusie dat er slechts drie perioden zijn geweest (in totaal 9 van de 46 onderzochte jaren) waarin de voorspelling van de Phillips-hypothese uitkwam, met de combinatie van minder werkloosheid en meer inflatie of andersom. In de overige jaren wordt de Phillips-hypothese dus niet bevestigd.

De conclusie van Douglas is ondersteund door ander, geavanceerder empirisch onderzoek. Van de hypothese blijft in de praktijk dus heel weinig over.

De NAIRU als deus ex machina

Wanneer een theorie niet blijkt te stroken met de feiten – en dus het veld moet ruimen – gooien economen het vaak over een andere boeg. Op basis van meestal niet erg realistische vooronderstellingen maken ze een wiskundig model dat een bepaalde uitkomst als superieur bestempelt. Alles wat van deze geconstrueerde norm afwijkt, is irrationeel en dus verwerpelijk.

Als oplossing voor het falen van de Phillips-hypothese hebben Milton Friedman en zijn volgelingen eerst de natural rate of unemployment en vervolgens de NAIRU ontwikkeld, dat staat voor Non-Accelerating Inflation Rate of Unemployment. In het kort is de gedachtegang dat de economie een zekere mate van werkloosheid nodig heeft om inflatie te vermijden.

Wanneer de overheid extra besteedt om de werkloosheid onder dit minimumniveau te krijgen, dan zullen werkgevers en werknemers(verenigingen) anticiperen op de onvermijdelijke loon- en prijsstijgingen, zodat er hyperinflatie ontstaat. Aldus de theorie. De NAIRU-economen blijken zelfs in staat de natural rate of unemployment tot 2027 te kunnen voorspellen.

Zodra ze over een wiskundig model beschikken, is voor economen geen zee te hoog.

Het is verbazingwekkend dat de NAIRU-benadering nog zo veel aanhangers kent. Lees Jonathan Klein, die zijn prachtige artikel 'Debunking the Nairu-myth' besluit met de woorden: ‘The sooner NAIRU is buried and forgotten, the better.’ Waarom verschijnt zo’n kritisch artikel alleen in de Financial Times en niet in een of ander economisch toptijdschrift? Omdat hij ‘slechts’ onderzoeksjournalist is en op Yale ‘diplomatic history’ heeft gestudeerd?

Mijn eigen kritiek op de Phillips-curve en de NAIRU is van een iets andere orde dan die van Klein en kan in drie o’s worden samengevat: onvolledig, onjuist en overbodig.

Onvolledig, omdat je met deze twee concepten alleen naar looninflatie kunt kijken, en niet naar andere vormen van inflatie, een tekortkoming die de meeste economen, waaronder Edin Mujagic, zich niet lijken te realiseren. Onjuist, want een initiële prijsverhoging leidt niet hollende inflatie, zoals NAIRU-economen menen. En tot slot overbodig, want een systeem van baangaranties maakt het wél mogelijk werkloosheidsbestrijding te combineren met een lage inflatie.

Tot zover mijn kritiek in het kort. Ik zal mijn punten nu eens per geval toelichten.

"Mijn eigen kritiek op de Phillips-curve en de NAIRU vat ik samen in drie o's: onvolledig, onjuist en overbodig"

Andere vormen van inflatie

De inflatie is te laag, zegt de ECB, die een gemiddelde prijsstijging van 2 procent als doelstelling hanteert. Maar dat klopt alleen als je kijkt naar de prijsontwikkeling van consumptiegoederen. Wat gebeurt er als we ook andere vormen van inflatie in ogenschouw nemen?

Neem de vermogensinflatie, die betrekking heeft op de prijsontwikkeling van onder andere vastgoed, aandelen en obligaties. Deze vorm van inflatie hebben we vooral te danken aan de geldsmijterij van de ECB, in de vorm van Quantitative Easing (QE). Degenen die al een eigen huis hadden – dus het rijkere deel van de oudere generatie – zijn in hun nopjes met deze inflatie, want zij worden slapend rijk. Maar voor de jongere generatie, die steeds dieper in de buidel moet tasten om een woning te kopen, is het een ramp.

Daarnaast is er de geïmporteerde inflatie, zoals in de periode van medio 1973 tot december 1974, toen de Organisatie van olie-exporterende landen (OPEC) de olieprijs in twee stappen verviervoudigde. Niet alleen benzine aan de pomp werd fors duurder, maar dit gold ook voor allerlei chemische producten waarvan olie een belangrijke grondstof was.

Veel politici en economen gaven de schuld aan de vakbonden

Bovendien werd duidelijk dat de meeste huizen slecht geïsoleerd waren, waardoor de energierekening omhoog vloog. Dit laatste gold eveneens voor bedrijven die relatief energie-intensief waren. Aangezien toen in vrijwel alle cao’s een automatische prijscompensatie was opgenomen, ging ook het loonniveau omhoog. Vervolgens stagneerde de economische groei en steeg de werkloosheid. Zo ontstond een nieuwe vorm van inflatie, meestal aangeduid als stagflatie.

Veel politici en economen gaven de schuld aan de vakbonden die vasthielden aan de prijscompensatie, maar de oorzaak lag natuurlijk ergens anders. Met Nederland voorop waren de meeste westerse landen verslaafd geraakt aan de goedkope olie, dus bracht de prijsverhoging van OPEC een enorme kostenstijging teweeg.

Je zou de strijd om de prijscompensatie een vorm van klassenstrijd kunnen noemen, want wie moest de rekening voor de achterhaalde economische structuur betalen: de ondernemers, die niet op tijd de bakens hadden verzet, of de werknemers?

De meeste economen vonden dat de vakbonden hun looneisen moesten matigen, waardoor de werknemers het grootste deel zouden betalen. Zij beriepen zich daarbij op de Phillips-curve: als de inflatie afneemt, zal de werkgelegenheid weer groeien. Op die manier zou de loon-prijsspiraal worden doorbroken, en de oplopende inflatie tot stilstand worden gebracht. Die redenering klopt niet, en ik zal laten zien waarom.

Geen hollende inflatie

Naast de eerder genoemde empirische toetsing heeft Douglas nog een andere methode gebruikt om de onjuistheid van de Phillips-hypothese en de NAIRU aan te tonen. Zijn redenering is het makkelijkst uit te leggen met een voorbeeld.

Stel dat de regering de economie wil stimuleren om de werkloosheid te verminderen, onder meer door de aankoop van elektrische fietsen aantrekkelijker te maken, met subsidies of aantrekkelijke leningen. Als daardoor de omzet aan elektrische fietsen dermate gaat stijgen dat extra werknemers moeten worden gevonden, leidt dat bij een krapper wordende arbeidsmarkt tot hogere lonen.

Laten we er voor het gemak even van uitgaan dat de elektrische fietsen voor gemiddeld 1000 euro worden verkocht. Deze prijs omvat zowel de standaardkostprijs als een normale winstopslag. De arbeidskosten per product bedragen in dit voorbeeld 300 euro. Als de lonen van de werknemers van de fietsfabrieken met 10 procent stijgen, worden de arbeidskosten per elektrische fiets 330 euro. Wanneer de fietsfabrikanten deze hogere loonkosten willen doorberekenen in de verkoopprijs, zal een elektrische fiets 1030 euro gaan kosten, in plaats van 1000 euro, een stijging van 3 procent.

De loon-prijsspiraal wordt steeds kleiner, en leidt helemaal niet tot hollende inflatie

Als we aannemen dat het algehele prijspeil met hetzelfde percentage stijgt en in alle cao’s volledige prijscompensatie is afgesproken, zullen de lonen met 3 procent stijgen. Wanneer de ondernemers ook deze loonstijging weer doorberekenen, zal de prijs van elektrische fietsen nu met 1 procent stijgen, omdat de arbeidskosten 30 procent van de kostprijs bedragen.

Kortom: de loon-prijsspiraal wordt steeds kleiner, en leidt dus helemaal niet tot hollende inflatie, zoals veel economen vrezen.

De twee alternatieven

Mijn derde punt van kritiek is het volgende: om looninflatie in toom te houden is het helemaal niet nodig om een bepaald niveau van werkloosheid te handhaven. Er zijn grofweg twee alternatieven.

De eerste is een flexibilisering van de arbeidsmarkt, een strategie die de werkgevers de laatste jaren hebben toegepast. Vooral in Nederland, waar het aantal flexibele arbeidskrachten sneller is gegroeid dan in andere Europese landen (aldus de Nederlandse Bank, die in een recent rapport tevens vaststelt dat deze ontwikkeling heeft geleid tot een daling van de arbeidsinkomensquote, de AIQ). Door de lagere lonen zal er minder gauw looninflatie optreden, ongeacht het werkloosheidspercentage.

De oplossing: werklozen tijdelijk in dienst bij overheidsorganisaties, totdat de private sector weer arbeidskrachten nodig heeft

Vanuit de werkgevers gezien is het overigens wel begrijpelijk dat ze niet zo snel mensen in vaste dienst nemen. Dit wordt aangetoond in het prikkelende boek Het land van goed naar beter’ van Bob Crébas, die opklom van werkloze tot multimiljonair, dankzij de verkoop van zijn Marktplaats aan Ebay. Als een medewerker niet goed functioneert, moet de werkgever eerst een uitgebreid dossier aanmaken en allerlei stappen doorlopen, voordat tot ontslag kan worden overgegaan. Bovendien is er de ‘Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters’, ‘waardoor de werkgever na de eerste 2 jaar ziekteverzuim, nóg 10 jaar opdraait voor de kosten,’ aldus Crébas.

Voor de maatschappij als geheel is deze ontwikkeling desastreus. Zo kunnen (meestal jonge) werknemers met een tijdelijk contract nauwelijks een hypotheek krijgen om een – door de vermogensinflatie – ook nog eens steeds duurdere woning te financieren. Zolang ze geen vast contract hebben zullen jonge gezinnen zich wel twee keer bedenken alvorens tot gezinsuitbreiding over te gaan.

Baangaranties als inflatiebestrijding

Voor het andere alternatief kunnen we ons laten inspireren door het boek van William Mitchell en Joan Muysken. Zij pleiten voor een systeem van baangaranties, ook wel aangeduid als basisbanen. Dit houdt in dat in perioden van laagconjunctuur werklozen tijdelijk in dienst worden genomen door overheidsorganisaties, totdat de private sector weer arbeidskrachten nodig heeft.

Neem de huidige situatie in de bouw. Vooral door de opleving van de huizenmarkt kampt deze sector met een enorm personeelstekort. De belangrijkste oorzaak: veel bouwvakkers hebben na de financiële crisis, toen de markt voor huizen en ander onroerend goed volledig inzakte, gekozen voor andere sectoren, of zijn simpelweg werkloos geworden. Om ze weer terug te krijgen moeten bouwbedrijven extra hoge lonen bieden, maar het is zeer de vraag of dit voldoende soelaas biedt. Vele voormalige bouwvakkers zouden weer bijgeschoold moeten worden. Bovendien zijn ze bang – door ervaring wijs geworden – dat de huidige opleving in de bouw niet lang zal duren, waardoor ze over enkele jaren opnieuw op straat komen te staan. Het gevolg zal zijn dat bouwondernemers het benodigde personeel uit het buitenland gaan halen, wat inderdaad al gebeurt.

Een systeem van baangaranties voorkomt deze problemen: bouwvakkers kunnen hun vaardigheden op peil houden of zelfs uitbreiden door aanvullende scholing, en ze hebben minder snel de neiging om de bouw voorgoed vaarwel te zeggen. Met als resultaat dat in tijden van hoogconjunctuur hogere lonen – met mogelijke inflatoire druk – niet nodig zijn om het benodigde personeel te krijgen.

Voilà.

Om met Bob Dylan te spreken: ‘You can have your cake and eat it too.’

Over de auteur

Hein Vrolijk

Zelfstandig onderzoeker en docent met een haat-liefde verhouding met de economische wetenschap.

Lees meer

Volg deze auteur en blijf op de hoogte via e-mail

Volg deze columnist
Verbeteringen of aanvullingen?   Tip de auteur Annuleren