Waarom slikken we dit allemaal?

    De Britse onderzoeksjournaliste Joanna Blythman ging undercover in de voedselindustrie. Met een bezorgde blik op de gerookte zalm op zijn bord interviewde auteur Marcel van Silfhout zijn collega over haar nieuwe boek 'Swallow this'. 'Staatsgeheimen en het seksleven van de koningin zijn makkelijker te onthullen dan wat er exact in een voedingsproduct zit.'

    'Ben ik het mee eens' zegt de Britse auteur en onderzoeksjournalist Joanna Blythman. De Nederlandse titel van haar boek Swallow this dekt de lading net iets beter. Slik je dat? heeft de vertaler ervan gemaakt. De cover is vrijwel hetzelfde: met een doodshoofd erop. Nogal een statement voor een boek dat minutieus beschrijft wat de voedingsindustrie allemaal in ons eten stopt om de levensduur ervan te verlengen of de smaak, kleur en geur te ‘verbeteren.’ Blythmans bevindingen zijn verontrustend. Vandaar de skull and bones. agrifoodclicks kennis- en innovatieplatform voor de agrifoodketen De onderzoeksjournaliste uit Edinburgh is op uitnodiging van haar uitgever Bouillon in Nederland. Een dag na de boekpresentatie neemt ze uitgebreid de tijd voor een zonnige lunch op het terras van Restaurant New York in Rotterdam. De vitello tonnato van biologisch kalfsvlees gaat erin als koek, maar het brood laat Blythman op haar bord liggen. Hoezeer ik haar zorgen over ons eten ook deel, zo ver ben ik nog niet – al heb ik na het schrijven van mijn eigen boek, Uitgebeend, hoe veilig is ons voedsel nog?, ook zo mijn zorgen over ons voedsel.

    Kapotbezuinigd

    De hoofdconclusie van Uitgebeend staat helaas nog steeds als een huis: de Nederlandse en andere Europese voedselwaakhonden zijn kapot bezuinigd. Deugdelijk toezicht ontbreekt en we weten daardoor erg weinig over wat er aan toevoegingen zit in de etenswaren zit die de voedingsindustrie aflevert. Bovendien, de mode van ‘meer marktwerking en zelfregulering’ heeft ervoor gezorgd dat we nauwelijks meer kunnen spreken van een echt onafhankelijke en met kennis en expertise toegeruste Keuringsdienst van Waren. De opvolger van die voormalige rijksdienst, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), nu aangestuurd door het Ministerie van Economische Zaken, kan amper een vuist maken tegen de voedingsindustrie. Zelfs de reguliere vers- en weekmarkten in Nederland worden niet meer gecontroleerd vanwege een gebrek aan mankracht. Intussen zeggen prominente mastodonten als oud-hoogleraar Animal Health Economics Aalt Dijkhuizen en bestuursvoorzitter Louise Fresco, beiden van Wageningen Universiteit, dat Nederland met die innige samenwerking tussen overheid, industrie en wetenschap zo’n ‘mooie gouden driehoek’ heeft. De consument-burger staat verweesd en beteuterd naar die goed geoliede en glanzende driehoek te kijken. Hebben wij ook nog wat te zeggen? Maar ja, de Nederlandse exportmotor draait een bruto omzet van pakweg 85 miljard euro en dat wil die gezellige driehoek graag zo houden. Niet dat de voedingsindustrie per definitie crimineel is of ons ongezond voedsel wil voorzetten, maar als de kat van huis is…..
    net als bankiers, belandt nu ook ons eten steeds vaker in de verdachtenbank
    In de financiële wereld hebben we gezien waar zelfcontrole en laissez-faire toe hebben geleid. De conclusie van diverse slachthuisrapportages leek erop: slagers bleken hun eigen vlees niet meer te keuren en vrolijk winst te maken over de rug van de burger-consument, met producten die qua smaak en kwaliteit het beste te scharen zijn onder de noemer race to the bottom. Bankiers en aanverwante van de moraal losgezongen types hebben ons een diepe financiële vertrouwenscrisis gebracht. Het is nog niet echt hardop gezegd of breed in de media uitgemeten, maar de vraag dringt zich op: dreigt voor ons voedsel eenzelfde lot? Want is er intussen niet ook sprake van een dusdanig groot wantrouwen dat we een heuse voedselvertrouwenscrisis tegemoet gaan? Steeds vaker zijn er verhalen over gevaarlijke gluten, bedenkelijke E-nummers en de relatie met toenemende problemen als obesitas, diabetes en andere welvaartsziekten, om het woord kanker maar niet te noemen. Ofwel: naast bankiers, belandt nu ook ons eten steeds vaker in de beklaagdenbank.

    Dungezaaid

    Daags na het uitkomen van haar boek in Engeland, waar Swallow this relatief hoge verkoopcijfers haalt, belde ik Blythman op om haar te complimenteren, met de woorden: ‘Wow, je hebt Uitgebeend 2.0 gemaakt. Jij bent verder gegaan waar ik met mijn boek was gebleven.’ Voorafgaand aan dat telefoongesprek had ik haar een in het Engels vertaald hoofdstuk uit Uitgebeend toegestuurd, de reconstructie van de dodelijke Salmonella-uitbraak op de zalm van producent en voedselonveiligheid-recidivist Foppe uit Harderwijk. Ze reageerde bijzonder opgelucht. ‘Hier in Engeland ben ik de enige onderzoeksjournalist die zo diep in deze materie is gedoken, het lijkt wel of voedsel niet tot de thema’s van de journalistiek behoort. Maar gelukkig ben ik dus niet helemaal alleen.’ Dat onderzoeksjournalisten op het terrein van de voedselveiligheid ook in Nederland dun gezaaid zijn, bleek wel op de presentatie van Blythmans boek in Rotterdam. Van de mainstream media was eigenlijk alleen Hiske Versprille aanwezig, een vakkundige en gedreven collega bij Het Parool. Versprille schreef een kritisch verslag over de bijeenkomst en het boek van Blythman. Maar, zegt ze er in één adem bij: ‘Ik zou graag gewild hebben dat ik meer tijd had om ook eens tandje dieper op dit onderwerp in te gaan. Helaas komt dat er nu niet van.’  Maar Versprille kwam tenminste. De rest van het gilde van culinaire journalisten koos voor de presentatie van een kookboek in Amsterdam. Veel leuker. En dichter bij huis bovendien.

    Vers vlees

    Tijdens de lunch, waarbij ik met enige huiver de gerookte zalm op mijn bord bekijk, leg ik Blythman nog eens uit waarom ik haar boek wel kan waarderen. In één van mijn eerste gesprekken, in de oriënterende onderzoeksfase, sprak ik in vertrouwen met een goed ingevoerde Wageningse voedingsmiddelentechnoloog. ‘Prima hoor,’ zei hij begin 2013, ‘dat je de wereld van ons vlees en vers voedsel induikt om te zien wat daar allemaal mis is. Maar vergeet niet, het echt ongezonde deel van de supermarkt is die andere tweederde in de winkel, die van de bewerkte voedingsmiddelen.’ Zijn woorden ben ik niet vergeten, maar ik wist me gegeven het toch al omvangrijke onderzoeksveld van Uitgebeend geen raad: hoe dat industriële bastion van levensmiddelenproducenten en hoog technologische ‘food processing’ te slechten? De Nestlé’s, de Unilevers en andere grootmachten die via de 4300 supermarkten in Nederland een flink ‘maagaandeel’ hebben in ons eten? Dat is precies wat Blythman in haar boek doet. De vraag ligt voor de hand: wat was voor haar de aanleiding om deze non-fictie horror te schrijven en hoe deed ze haar onderzoek?

    Vreemde smaak

    Joanna Blythman: ‘Het begon allemaal met een incident. Ik had een keer weinig tijd op weg naar de trein in Londen. Ik liep snel even een Marks and Spencer's in en dacht, ik zoek wel iets dat er vers en gezond uitziet. Ik zag een Quinoa-couscoussalade met verse olijven en paprika. Dat leek me prima, maar toen ik het begon te eten smaakte het vreemd, absoluut niet zoals ik het zelf klaarmaak thuis. Ik keek naar het etiket en zag een hele lijst E-nummers en andere zaken. Sommige kende ik, maar een hele trits andere niet. Het smaakte heel onnatuurlijk. En het had een vreemde geur. Dat was het moment waarop ik tegen mezelf zei: ik wil hier meer over weten. Ik heb hier een ‘clean label’ maar wat is hier zo clean aan? Het oogt vers en gezond, maar is het dat ook? Ik wist: ‘I won’t take no for an answer!Het lijkt me een lastige opgave voor een journalist. Hoe slecht je de muren van persvoorlichters en andere goed betaalde vogels in het reputatiemanagement van de grootindustrie? JB: ‘Dat was het moeilijkste. Ik koos ervoor om zoveel mogelijk undercover te gaan om hen te omzeilen, met valse identiteiten. Je stapt de  wereld van voedselfabricage, waar heel veel mensen elkaar kennen, niet zomaar in. Je moet je beroep opgegeven bij het aanmelden. Door mij uit te geven voor procurement manager ontmoette ik verkopers die mij hun waar aan de man probeerden te brengen met argumenten waar ik veel van leerde. Dat zij producten hadden die de levensduur nog verder verlengen. En waarom dat zo was. Daar hoorde ik van ingrediënten en hulpstoffen die ik niet goed kende. Die verkopers trouwens ook niet, die interesseerde het niet wat er in hun product zat, als ze het maar konden verkopen.’ Je moest dus elders zijn? JB: ‘Ja, die verkopers wisten ook niets van de wetenschap en grondstoffen, die stelden zich die vraag helemaal niet. De levensduur van het product is langer, daar gaat het dan om. Op 14 februari dit jaar heb ik een vers ogende plak cake gekocht bij Tesco, met zo’n dun laagje folie. Hij ligt nog steeds in mijn keuken en er is bijna niets aan veranderd, hij is hooguit een beetje geslonken. Hoe krijgen ze dit voor elkaar? Die vraag wil ik beantwoorden. Je stuit dan op een muur omdat de receptuur wordt beschouwd als een bedrijfsgeheim. Ik ben ervan overtuigd dat staatsgeheimen en het seksleven van de koningin nog gemakkelijker zijn te onthullen dan de vraag wat er exact in een voedingsproduct zit. Ze zeggen doodleuk: ik ga je echt niet vertellen wat er in mijn product zit.’
    'Je stuit op een muur omdat de receptuur wordt beschouwd als een bedrijfsgeheim'
    Toch is het je gelukt haarfijn te beschrijven welke bedenkelijke ingrediënten en chemische hulpstoffen er in ons bewerkte eten belanden. JB: ‘De moderne wereld van de voedingstechnologie is een kwestie van ver doorontwikkelde technologie en wetenschap. Die is voor een leek of buitenstaander moeilijk te begrijpen, laat staan aan te vallen. Evenzo moeilijk is hoe je het, als je het allemaal wel begrijpt en weet, zo kunt opschrijven dat het grotere publiek het ook snapt. De levensmiddelentechnologen houden zich bewust koest, die houden echt niet van het idee van een open keuken. Ik heb mijn weg dus moeten vinden naar de productieplekken waar deze technologie in etensmiddelen wordt toegepast, vaak op non-descripte bedrijfsterreinen. Als je daar bent, heb je absoluut niet het gevoel dat het om voedsel gaat waar ze mee bezig zijn. Het oogt als een steriel lab.’ Het zijn voornamelijk activisten en bloggende foodies die hier tamtam over maken, niet zonder succes overigens. Waarom denk je dat er zo weinig onderzoeksjournalisten zijn die in de wereld van ons bewerkte voedsel duiken? JB ‘Het is een combinatie van factoren. Vreemd genoeg nemen onderzoeksjournalisten voeding als thema niet zo snel tot zich, alsof dat het terrein is voor huismoeders en kookboekschrijvers. Wat ook meespeelt is dat veel collega’s freelance werken zonder de dekking van een groot medium, wat een fors juridisch risico met zich meebrengt. En als je naar de grote kranten kijkt, dan speelt daar mee dat er sprake lijkt te zijn van een soort zelfcensuur, dat zij niet op de tenen willen staan van hun adverteerders of dat ze bang zijn voor door de industrie betaalde topadvocaten. Geen enkele juridische strijd is leuk voor redacteuren en hoofdredacties. Dat is gedoe en gedoe willen we liever niet.’ Wat is jouw ervaring met de Britse en Europese voedselwaakhonden, doen ze hun werk goed? JB ‘Het gekke is, ik ben altijd pro-Europa geweest. Maar daar ben ik anders over gaan denken. Het Europese bouwwerk en de toezichthouders zijn alleen maar bezig om multinationals en het grote bedrijfsleven te behagen. De consument en burger wordt in Brussel nauwelijks gehoord, maar de lobby van het bedrijfsleven daarentegen is zo sterk en effectief dat de industrie in feite haar eigen regels en wetgeving bepaalt, wel zo handig om je handel te vergemakkelijken. Het nieuwe TTIP-verdrag en gerelateerde verdragen met de Verenigde Staten die nu op stapel staan zijn echt eng. In de VS is het al verboden om undercover opnames te maken in de intensieve vleesindustrie. Dat staat ons nu ook te wachten, dat we ons werk niet meer kunnen doen. Intussen zien we op de hele wereld hetzelfde bewerkte en als vers en gezond ogende voedsel oprukken, van Singapore tot Londen en San Francisco aan toe zien we hetzelfde eten. Straks is het echt allemaal hetzelfde en gaat ons eten nog meer weg van onze tradities en familierestaurants. Dat is een trieste balans voor de diversiteit van onze prachtige eetculturen. Intussen beroven ze ons ook nog van onze smaak en gezondheid. De industrie is niet bezig met onze gezondheid. Hun motto is dat van het bedrijfsleven: geld verdienen, een grotere marge halen. Het zou fijn zijn als ik vertrouwen had in onze voedselautoriteiten als tegenwicht, maar helaas, dat heb ik niet. Totaal niet. Onafhankelijke wetenschap is ook al schaars. Het is zorgelijk om te ontdekken dat de veiligheid van veel aan ons eten toegevoegde stoffen slechts gebaseerd is op aannames en schattingen. Vaak is de basisinformatie meestal ook aangedragen door de levensmiddelenproducenten zelf. Blijkbaar zullen we de controle zelf moeten doen. Bottom up!’

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Marcel van Silfhout

    Marcel van Silfhout (1968) is onderzoeksjournalist, auteur, en voedselveiligheid- en spoorwegenexpert. Hij werkte voor region...

    Volg Marcel van Silfhout
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren