Wanbeleid nekt ABP

    Ooit was het ABP een conservatief gemanaged pensioenfonds. Nu is alles anders. De indexering hapert, de communicatie is schimmig, de premies stijgen, wetgeving wordt doodgelobbyd. Tijd voor een kritische blik, vindt gastauteur Martin Pikaart.

    Het ABP staat er slecht voor, tenminste sinds de start van de kredietcrisis. Al jaren kan het de pensioenen niet indexeren, terwijl die indexatie wel sinds jaar en dag onderdeel uitmaakt van de pensioenbelofte aan ruim een miljoen verplicht aangesloten ambtenaren. Recent heeft ABP de pensioenen een keer moeten korten en dat dreigt nu weer te gebeuren. Tegelijkertijd heeft ABP zich ontwikkeld tot een politieke speler van formaat. ABP is leidend geweest in de lobby tegen de stengere eisen van het financiële toetsingskader, het fonds sponsort wetenschappelijk onderzoek dat steevast positief uitpakt voor de pensioensector en sinds vorige week tracht ABP om als scheidsrechter op te treden bij centrale loonakkoorden.

    Eerste fonds met marktwaardering

    Tijd dus om een grondige en kritische studie te verrichten naar deze pensioenkolos, het op twee na grootste pensioenfonds ter wereld. Dat heb ik gedaan en het resultaat ligt vanaf vandaag onder de titel Wanbeleid, algemeen burgerlijk in de boekwinkel.
    Ik beschuldig ABP van wanbeleid en roep het bestuur op af te treden
    De titel spreekt voor zich. Ik beschuldig ABP van wanbeleid en roep het bestuur op af te treden. Er is niet altijd sprake geweest van wanbeleid bij ABP. Vanaf de privatisering in 1996 tot en met 2002 was er zelfs sprake van een relatief veilige en adequaat communicerende organisatie. ABP was voor zover ik kon nagaan het eerste fonds dat overging op marktwaardering van de verplichtingen, lang voordat dit wettelijk verplicht werd. Niet alleen marktwaardering, het paste zelfs reële waardering toe. ABP redeneerde daarbij als volgt: ‘Wij hebben de ambitie om reële (dat wil zeggen: geïndexeerde) pensioenen uit te keren. Daar past dus ook een reële waardering bij. Aangezien we zo goed mogelijk willen weten waar we staan als fonds, gaan we zo snel mogelijk over op reële waardering.’ Tekenend voor deze jaren is een citaat over de waarderingswijze: ‘ Vooralsnog gebruikt ABP deze strengere rekenmethodiek om vooral de eigen positie zo scherp mogelijk in kaart te brengen’.

    Dramatisch jaar 2003

    Degenen die ABP kritisch volgen, zullen dit misschien twee of drie keer moeten lezen. ABP? ABP dat openheid nastreeft en de verplichtingen zo scherp mogelijk waardeert? Wat is er gebeurd? Alvorens hierop in te gaan, merk ik op dat bovenstaande redenering anno 2015 nog steeds onverkort opgaat: ABP streeft nog steeds reële pensioenen na, en dient dus nog steeds reëel te waarderen. Het jaar 2003 was een dramatisch jaar voor ABP, met heel veel veranderingen. In de pensioenregeling, in de waardering van de verplichtingen, in de framing van de indexatie, in het risicobeleid en in de relevante personele bezetting. Om met dat laatste te beginnen: eind 2002 vertrok Jan van de Poel, die als lid van de Directieraad verantwoordelijk was voor de invoering van de reële waardering en de invoering van een risicobeheerssysteem. De Directieraad stond direct onder het bestuur, de terminologie dateert nog uit de tijd dat ABP een afdeling van Binnenlandse Zaken was. Van de Poel werd opgevolgd door Dick Sluimers, die op dat moment in het bestuur zat. Vanaf 2003 wordt er ook expliciet gestuurd op een rentevisie: de verwachting dat de rente gaat stijgen. Het voorzichtige beleggingsbeleid onder Van de Poel heeft plaats gemaakt voor een beleid dat wordt ingericht op een maximaal profijt van de verwachte rentestijging.

    Indexatie voorwaardelijk

    Ook de pensioenregeling ondergaat een wijziging. In 2003 wordt besloten dat de eindloonregeling voor burgerpersoneel wordt omgezet in een middelloonregeling. Hiermee gaven de sociale partners gehoor aan een oproep van de regering begin jaren negentig waarin deze wijziging wordt bepleit. Voor gepensioneerden verandert er niets, hun indexatie was al voorwaardelijk sinds de privatisering van ABP in 1996; alleen voor werkenden wordt de indexatie van ‘onvoorwaardelijk’  omgezet in ‘voorwaardelijk’. Sociale partners en ABP verzekeren dat de nieuwe middelloonregeling gelijkwaardig blijft aan de eindloonregeling, althans voor werknemers met een gemiddelde carrière. Concreet betekent dit, dat ABP in tijden van nood kan besluiten geen indexatie te geven, maar dat zoiets gevolgd gaat worden doordat het dan twee, drie jaar later de gemiste indexatie alsnog toekent. Voor werknemers is er dan helemaal geen nadeel, gepensioneerden hebben dan gedurende die twee, drie jaar een nadeel van niet gekregen indexatie. Iets merkwaardigs zien we gebeuren in de communicatie. De communicatie omtrent de indexatie krijgt een tweeslachtig karakter. Enerzijds wordt benadrukt dat werknemers er vanuit mogen gaan dat die er altijd komt, de regeling is immers gelijkwaardig aan een eindloonregeling, anderzijds wordt de indexatie ineens geframed als een soort winstdeling, waarvan je maar moet zien wat ervan terecht zal komen. De pensioenpremie bevat ook maar een zeer geringe component voor de indexatie, die dan ook gefinancierd moet worden vanuit de overrendementen. ABP ontvangt talloze waarschuwingen dat deze handelwijze niet goed kan gaan, maar slaat ze allemaal in de wind.

    Kapot lobbyen

    In periode 2001-2007 woedt een stevige discussie over een nieuw toetsingskader voor pensioenfondsen, dat wil zeggen de regels die moeten borgen dat pensioenfondsen ook daadwerkelijk de uitkeringen kunnen doen die ze hun deelnemers voorhouden. De oorspronkelijke wetsvoorstellen volgen de lijn: als je iets belooft, moet je dat ook waarmaken. Dat betekent bij de uiterst riante beloftes fors hogere premies, de opbouw van een stevige buffer en strakke maatregelen als het mis gaat. De fondsen, ABP voorop, roepen moord en brand en zetten een lobby in om het toetsingskader kapot te lobbyen. Deze lobby slaagt volledig. Het enige overblijfsel van het oorspronkelijk wetsontwerp is de zinsnede dat pensioenfondsen moeten zorgen voor consistentie tussen de ambitie, de financiering en de realisatie. Deze consistentie, althans die tussen ambitie en realisatie, lijkt er te zijn tot 2008.
    in feite moet ABP steeds meer risico nemen om de praktisch al ingecalculeerde overrendementen waar te maken
    Lijkt, want in feite moet ABP steeds meer risico nemen om de praktisch al ingecalculeerde overrendementen waar te maken. Fout, en goed fout, gaat het in 2008. ABP ziet zijn dekkingsgraad, de verhouding tussen vermogen en verplichtingen, dalen van 140 procent naar 90 procent. Dit is het logische gevolg van het in 2003 ingezette beleid. ABP zelf ziet dit anders, de malaise is geheel te wijten aan externe factoren, zoals de ‘extreem lage rente’, die immers in het geheel niet past in de ABP rentevisie.

    Schimmige communicatie

    Sinds 2008 is er vrijwel geen indexatie meer gegeven, de premies zijn fors verhoogd en de regeling is versoberd. De regels rondom het waarderen van de verplichtingen zijn onder lobbydruk vanuit de sector meermaals gewijzigd de afgelopen jaren. Het gevolg is dat er nu niet meer een dekkingsgraad is, maar een actuele dekkingsgraad, een UFR-dekkingsgraad, een beleidsdekkingsgraad en een premiedekkingsgraad. Sommige ook nog beschikbaar in de smaken nominaal en reëel.
    ABP verwacht ofwel snel te moeten korten ofwel tien jaar lang niet te kunnen indexeren
    Uit uitspraken van ABP-bestuurders en uit gelekte notities blijkt dat ABP verwacht ofwel snel te moeten korten ofwel tien jaar lang niet te kunnen indexeren. De gevolgen hiervan zijn directe koopkrachtdaling voor gepensioneerden en daling van de verwachte uitkering voor werknemers. De ABP-site vermeldt nauwelijks inzicht in wat deelnemers te wachten staat. Zo wordt er wel gemeld dat ABP een herstelplan heeft moeten indienen bij de Nederlandsche Bank, maar het herstelplan zelf is niet te vinden op de site. Het toch al lage vertrouwen van deelnemers zal door deze schimmige communicatie alleen maar verder dalen. Zolang de wettelijke verplichtstelling van kracht blijft kunnen deelnemers niet weg bij ABP. Mijn boek eindigt met de oproep aan het bestuur om op te stappen en plaats te maken voor een nieuw bestuur, dat vervolgens allereerst de deelnemers eerlijk moet inlichten over de situatie. Pas als deelnemers een realistisch beeld hebben van wat hun te wachten staat, is het zinvol om te gaan praten over de noodzakelijke verdeling van de tekorten. Wiskundig onderzoeker Martin Pikaart is mede-oprichter en voorzitter van het Alternatief voor Vakbond (AVV). Pikaart is auteur van het boek De pensioenmythe en medeschuldig aan de verfilming ervan.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Gastauteur

    Gevolgd door 296 leden

    FTM.nl biedt opiniemakers de gelegenheid om – op uitnodiging – een bijdrage aan maatschappelijke discussies te leveren.

    Volg Gastauteur
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren