© Romee Boots

Wat attractiestad Amsterdam kan leren van Bali

    Amsterdam heeft genoeg van de rolkoffers en ijssalons in de stad. De gemeente beperkt daarom de verhuur van appartementen via Airbnb en gaat selecteren welke winkels hun deuren mogen openen. Is deze inbreuk op het eigendomsrecht gerechtvaardigd om het massatoerisme te beteugelen? Een blik op toeristeneiland Bali geeft inzicht.

    Wat massatoerisme met een gebied of stad kan doen, weten ze in Amsterdam maar al te goed. Niet alleen een enkele FTM-columnist stoort zich aan de toeristenstroom in onze hoofdstad; ook de gemeente wil de groei van het toerisme afremmen. Om te voorkomen dat de hele binnenstad verandert in een attractiepark met Nutella-winkels en ijssalons, gaat de gemeente zich actief bezighouden met het selecteren van gewenste winkels: het zogenaamde brancheren.

    Een overheid die bepaalt wat er wel en niet verkocht mag worden in welke straat, is dat echt nodig om de 'ongecontroleerde transformatie' van de stad een halt toe te roepen? Of is het een nieuw toppunt van betutteling?

    Een overheid die bepaalt wat er verkocht mag worden in welke straat, is dat echt nodig? 

    Overname van buitenaf

    Amsterdam is in trek bij een internationaal publiek. Werknemers van de vele multinationals in de regio wonen er graag en 17 miljoen toeristen bezoeken jaarlijks onze hoofdstad. Buitenlandse partijen ruiken investeringskansen in de Amsterdamse hotel- en vastgoedmarkt. Je zou dus kunnen spreken van een ‘overname’ van de stad, zeker als je bedenkt dat diezelfde stad slechts 838.000 inwoners telt. Dat heeft maatschappelijke gevolgen.

    Om de Amsterdamse situatie beter te begrijpen, maak ik de vergelijking met het Indonesische vakantie-eiland Bali. Hoewel de meeste buitenlanders niet naar Amsterdam komen voor zon of palmbomen, zijn er opvallende gelijkenissen tussen de ontwikkelingen op Bali en onze hoofdstad. Ook op Bali is sprake van een overname van buitenaf, die niet zonder gevolgen blijft voor de lokale bevolking.

    Monocultuur of overdreven nostalgie

    Bali is in rap tempo getransformeerd van een agrarisch eiland tot één van 's werelds populairste vakantiebestemmingen. Een halve eeuw geleden leefde de bevolking in harmonie met de natuur, at men nasi van de eigen rijstvelden en trok men alleen voor het tempelbezoek een kebaya aan, want blote borsten hadden nog geen seksuele lading.

    Net als thuis, maar dan met een zonnetje erbij

    Inmiddels hebben rijstvelden plaatsgemaakt voor hotels en kledingwinkels van surfmerken als Ripcurl en Billabong. Lokale eettentjes zijn vervangen door coffeeshops waar je geen traditionele Bali-koffie, maar luxe latte macchiato's kunt bestellen. Achter de houten bar staat de internationale menukaart met de hand op een krijtbord geschreven, sfeervol aangelicht door een industriële hanglamp. De ideale werkplek voor de reizende wereldburger (ook wel ‘glokalist’ genoemd): net als thuis, maar dan met een zonnetje erbij.

    Dezelfde ketens die in Amsterdam de binnenstad overnemen, overgieten Bali met hun internationale saus. De authentieke smaak gaat verloren; er ontstaat een monocultuur.

    Is het erg dat Starbucks, Dunkin’ Donuts en vintage design-meubels de wereld veroveren? Een echte rijstvreter kan op Bali echt nog wel ergens nasi campur bestellen, net zoals je in Amsterdam niet ál te ver hoeft te zoeken voor authentieke hutspot of pannenkoeken. Dingen veranderen nu eenmaal; dat houd je niet tegen. En waarom zou je ook? Soms heb je gewoon meer zin in Italiaanse pasta dan in Balinese rijst of Hollandse piepers. Om overheidsingrijpen te verantwoorden moet er meer aan de hand zijn dan wat ergernis over internationale winkelketens, fastfood-restaurants en het geluid van Japanse rolkoffers.

    Aanpassen

    Toerisme levert namelijk ook bedrijvigheid en werkgelegenheid op. Dat geldt zowel in Amsterdam als op Bali. Lina komt uit Canggu, een opkomend surfdorp aan de westkust van het eiland. Zij dankt haar goedbetaalde baan als receptioniste bij een kleinschalige retreat aan het toerisme. In de Balinese toeristenindustrie liggen de lonen een stuk hoger dan in andere sectoren.

    Toch plaatst ze stevige kanttekeningen bij de ontwikkelingen in haar dorp: 'In eerste instantie verwelkomde ik de toeristen. Nu ik vijf jaar later mijn geboorteplaats niet meer herken heb ik mijn twijfels.' Vooral voor de oudere generaties zijn de veranderingen onbehapbaar. 'Mijn oma gaat dagelijks naar het strand van Canggu. Dat was vroeger een oase van rust. Tegenover de lokale tempel begraaft ze dan haar benen in het hete zand. Dat houdt de gewrichten soepel.' Nu wordt het strand overspoeld door Westerse surfers die geen rekening houden met de heilige plek, maar schreeuwend in hun zwemkleding over het zand paraderen. 'Mijn oma spreekt geen Engels, dus ze kan er niets van zeggen.'

    Het verhaal van Lina is slechts één voorbeeld van hoe inwoners zich moeten aanpassen aan buitenlandse toeristen. Het lijkt een omgekeerde wereld: het is niet de bezoeker die de geldende gebruiken respecteert, maar de autochtoon die zich schikt naar de wensen van de vakantieganger of glokalist.

    "Economische wetmatigheden maken het moeilijker om je te onttrekken aan het toerisme"

    Zolang er sprake is van vrije keuze, kun je stellen dat de meeste Balinezen dit blijkbaar zo willen. Op Bali, maar ook in Amsterdam, is het echter nog maar de vraag of bewoners daadwerkelijk vrij zijn om zich aan het toerisme te onttrekken. Enkele economische wetmatigheden zorgen er namelijk voor dat het steeds moeilijker wordt om níét mee te doen.

    Parallelle economie

    Zo onstaat er door het toerisme een parallelle economie. Een nieuwe groep consumenten — de buitenlandse bezoekers — heeft andere wensen, en vooral een ander budget dan de inwoners: ze zijn ten slotte op vakantie. In Amsterdam speelt een groep slimme ondernemers daarop in met peep-shows, souvenir- en kaaswinkeltjes. Toeristen betalen vermogens voor snelle wipbeurten, prullaria en blauwe kokers met een Van Gogh-poster. Op zich is daar niets mis mee, behalve dat de prijs van een broodje of biertje meestijgt — ook voor Amsterdammers zelf.

    Op Bali is hetzelfde gebeurd. Toeristen vinden een maaltijd van 5 euro misschien spotgoedkoop, maar de gemiddelde Balinees moet voor zo'n bedrag bijna anderhalve dag werken. Het toerisme heeft de consumentenprijzen op het eiland flink opgedreven. Prijsstijging hoeft echter niet per sé een probleem te vormen, zolang de inkomsten van de lokale bevolking meestijgen.

    Maar daar ligt nu juist de crux: Agrarisch werk levert de Balinezen niet genoeg op om de prijsinflatie bij te benen. Vier maanden ploeteren op een gemiddeld rijstveld van zo'n 1800 vierkante meter levert 1000 kilogram rijst op; de groothandelsprijs van 1000 kilo rijst is omgerekend nog geen 300 euro — en daar moet nog bijna de helft vanaf voor de kosten van het planten, oogsten, mest en irrigatie. Met het verhuren van één kamer kun je in een week dus meer winst maken dan met een hele rijstoogst! Via het mechanisme van prijsvorming verdrukt de parallelle toeristen-economie zo het bestaansrecht van de voormalige economie — en de daaraan verbonden manier van leven.

    Vastgoedspeculatie

    Daar komt nog eens bij dat het toerisme de grond- en vastgoedprijzen verder opdrijft. Vooral speculatieve investeerders worden daar rijk mee; vaak gaat dit ten koste van onwetende boeren die hun grond — meestal onder druk — te vroeg hebben verkocht. Als gevolg hiervan zijn de centra van Balinese toeristen-trekpleisters als Ubud en Canggu, waar de grondprijs in vijf jaar met wel 500 procent is gestegen, voor de lokale bevolking onbetaalbaar geworden. Hoewel de prijsstijging minder excessief is, kampt ook Amsterdam met een oververhitte huizenmarkt. De toestroom van speculatief buitenlands kapitaal jaagt ook hier de vastgoedprijzen omhoog.

    Airbnb

    De gemiddelde rijstboer snapt weinig van de westerse eisen die worden gesteld aan een hotelkamer, of hoe je zo'n kamer via het internet op Airbnb verhuurt. Het grote geld in de Balinese toeristenindustrie komt dan ook terecht in de zakken van ondernemers en investeerders van buitenaf. De Amsterdamse wooneigenaar begrijpt daarentegen wél hoe je via kamerverhuur een graantje meepikt van de toeristeneconomie. Het aantal Airbnb-overnachtingen in onze hoofdstad is afgelopen jaar verdubbeld naar 1,7 miljoen: dat is bijna 11% van de Amsterdamse overnachtingsmarkt. Het is aannemelijk dat de bouwstop voor hotels in het centrum van de stad hieraan heeft bijgedragen. De gemeente Amsterdam heeft daarom in 2017 ook beperkingen gesteld aan het verhuren van de eigen woning: maximaal 60 dagen per jaar. Deze maatregel moet helpen om de overlast van toeristen te beperken in de binnenstad en de omliggende woonwijken.

    Die beperking maakt een substantiële inbreuk op het eigendomsrecht, maar er zit nog een keerzijde aan: De woonfunctie in de binnenstad, maar in toenemende mate ook in de schil daaromheen, staat onder druk door de hoge vastgoedprijzen. Voor veel bewoners is de (gedeeltelijke) verhuur juist het redmiddel om de eigen woning te kunnen aanhouden. Ook hier geldt namelijk dat de meeste inkomens in de gewone economie niet meestijgen met de huur- en toeristenprijzen.

    "De Amsterdammer mag zijn appartement niet meer verhuren aan toeristen, terwijl de familie Hilton wel mag blijven verdienen aan de populaire stad"

    Attractiestad

    De Balinese bevolking dreigt een lijdend voorwerp te worden in de transformatie van hun eiland. Een onderdanige rol in de toeristenindustrie is voor de meeste Balinezen de hoogst haalbare ambitie geworden. Protest tegen het 'disruptieve toerisme' neemt daarom toe.

    Ook in Amsterdam is het verzet van bewoners en kleine ondernemers tegen de toeristeneconomie gegrond. Als de groei ervan ongeremd doorzet wordt Amsterdam een heuse attractiestad, waarbinnen wonen of ondernemen buiten de toeristeneconomie — net als op Bali — economisch gezien steeds moeilijker wordt. Speculerende pandeigenaren en makelaars profiteren mee, maar de nadelen overheersen voor eenieder die de stad graag als leefomgeving ziet.

    Brancheren — het door de gemeente bepalen welke winkels wel of niet in bepaalde straten mogen komen — blijkt in wereldsteden als Barcelona positieve effecten te hebben om de teloorgang van de binnenstad tegen te gaan. Het is tegelijkertijd een betuttelende maatregel die, evenals de 60-dagen limiet voor appartementsverhuur, het eigendomsrecht van het individu inperkt. De Amsterdammer mag straks geen kaaswinkeltje meer openen of zijn appartement verhuren aan toeristen, terwijl de families Hilton en Van der Valk wél mogen blijven verdienen aan de populariteit van de stad: 89 procent van de overnachtingsmarkt is immers nog altijd in handen van hotels.

    De geldende economische wetten dicteren dat investeerders en bezoekers van buitenaf de mooiste plekjes op aarde straffeloos over kunnen nemen. Zij bepalen vervolgens wat ermee gebeurt aan de hand van hun eigen belangen, ook al gaat dit in tegen het belang van de lokale bevolking. Zolang de kracht van het kapitaal onverminderd blijft drukken op deze populaire plekken, valt te betwijfelen of kleinschalige maatregelen de transformatie van Amsterdam of Bali echt kunnen beteugelen. In een volgend artikel in deze reeks zullen we daarom aandacht besteden aan de grotere drijfveer achter de aanbodzijde van de toeristen-economie: het realiseren van economische groei.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Thomas Bollen

    Gevolgd door 1351 leden

    Onderzoekt als financieel econoom de 'economische religie' om nuttige inzichten van dogma's te scheiden.

    Volg Thomas Bollen
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren