© AFP Photo / Philippe Huguen

Wat gaan superstormen Nederland in de toekomst kosten?

    Orkaan Irma verwoestte begin september grote delen van de Caraïben en veroorzaakte voor tientallen miljarden schade in Florida. Het is nog te vroeg dag om met zekerheid te zeggen dat we dit soort orkanen vaker gaan meemaken, maar dat de zeespiegel zoetjesaan stijgt en het oceaanwater warmer wordt is zeker. Wat staat Nederland in de toekomst te wachten?

    Orkanen worden chronologisch op alfabet gerangschikt. Terwijl Irma Florida aan het schrobben was, viel op dat er in verschillende weermodellen een verwachtingslijntje voor orkaan José pal over de Atlantische Oceaan liep, naar Europa. Nu was de kans op zo’n gebeurtenis erg klein: tropische orkanen zijn onmogelijk in Europa, daarvoor is het bij ons te koud. Voor een orkaan moet het zeewater warmer zijn dan 26 graden. Ze kunnen echter wel een metamorfose ondergaan tot ‘gewone’ stormen met orkaankracht. Kunnen die ook Nederland treffen? 

    Klimaatwetenschapper Rein Haarsma van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) boog zich in 2013 al samen met collega’s over deze vraag. Onderzoekers van de Universiteit van Princeton deden recentelijk een vergelijkbare studie

    Er is nog veel onzekerheid rond dit fenomeen: de klimaatmodellen van het KNMI en Princeton zijn als het ware precieze, wiskundig kloppende animatiefilms van de hele Noord-Atlantische oceaan. Om zo’n film af te draaien op het relatief kleine stukje atmosfeer van een enkele storm of orkaan, vraagt om enorm veel rekenkracht — en dat is duur. Uit de weermodellen van zowel Princeton als het KNMI komt echter met zekerheid rollen dat tropische orkanen op de Atlantische Oceaan door opwarming van oceaanwater vaker naar het noordoosten gaan afbuigen — richting onze regionen dus.

    Wetenschappers van het KNMI lieten in 2013 al zien dat superstormen in de toekomst vaker voor kunnen komen

    Normaal gesproken is dat niet zo’n probleem: orkanen ‘leven’ van warm oceaanwater en raken daarom veel van hun kracht kwijt wanneer ze buiten de tropen komen. Op onze breedtegraad drijft een ander mechanisme het weer: zogenaamde barocline instabiliteit. Als een tropische orkaan in de buurt van Noord-Europa belandt, verandert hij van structuur. Hij wordt groter en zwakker, als een ballerina die snel rond haar as draait en haar armen spreidt. De “oogmuur”, het centrale deel van de storm, gaat scheef gaat staan ten opzichte van de verticale as. Daardoor kunnen de orkaanresten, net als onze gewone stormdepressies (lagedrukgebieden), energie halen uit het temperatuurverschil tussen pool en de evenaar, en weer aan kracht toenemen. Zo ontstaan sommige najaarsstormen; de meeste ontstaan voor de kust van Noord Amerika zonder voorgeschiedenis als tropische orkaan of storm.

    Een deel van het vocht en de warmte van een orkaan kan tijdens die transformatie echter ook in de kern ingesloten blijven. Dan spreek je van een ‘warm seclusion storm’. Gebruik makend van deze restwarmte en van de barocline instabiliteit, heeft het systeem twee krachtbronnen. Daarmee kan deze zodanig aan kracht toenemen, dat de windsnelheden boven de 117 kilometer per uur uitkomen. 

    Op de schaal van Beaufort spreken we op dat moment van orkaankracht categorie 1. Laten we dit soort stormen even kort definiëren als superstormen. Het KNMI spreekt zelf liever van ‘stormen met orkaankracht’. 

    2014: Gonzalo 2.0

    De wetenschappers van het KNMI lieten in 2013 als eerste ter wereld met numerieke klimaatmodellen zien, dat superstormen in de toekomst vaker kunnen voorkomen. Meteen het volgende jaar al konden de wetenschappers het mechanisme dat deze stormen mogelijk maakt ook in de praktijk aanschouwen. Na onder andere in Sint-Maarten een ravage aan te hebben gericht, stak orkaan Gonzalo in oktober 2014 de Atlantische Oceaan over naar Europa. Onderweg ‘muteerde’ deze orkaan tot een zware najaarsstorm.

    Deze ‘Gonzalo 2.0’ legde bij aankomst in het Verenigd Koninkrijk het verkeer zo goed als stil. Meer dan 100 vluchten werden vertraagd of geannuleerd; veerboten voeren niet uit; wegen en spoorwegen waren onbegaanbaar en een dozijn mensen raakte gewond door omvallende bomen. Na windstoten tot 115 km/u viel in delen van Noordwest-Ierland de stroom uit. 

    Time-lapse van orkaan Gonzalo tussen 12 en 21 oktober 2014

    Gonzalo veroorzaakte later ook nog overstromingen en zware schade aan daken van Oostenrijk tot Griekenland. De storm had genoeg energie om grote delen van de Alpen te bedekken met zware sneeuwval tot een paar meter diep; in de Balkan en in zuidoost-Bulgarije werden hele dorpen geëvacueerd wegens overstromingen.

    In heel Europa vielen daarnaast nutsbedrijven uit; hierdoor hadden tienduizenden burgers geen toegang tot stromend water en elektriciteit. In de Griekse hoofdstad Athene trad de ondergronds gekanaliseerde rivier Ilisos zo ver buiten zijn bak, dat de straten met ziedend water gevuld werden. Honderden voertuigen werden weggevaagd.

    In Nederland werden winden tot 108 km/u gemeten. Het water stond extreem hoog; bomen gingen om. In Duitsland trad de Elbe ver buiten haar oevers en alleen al in Stuttgart werden meer dan vijftig voertuigen beschadigd door vallende bomen. Duitse verzekeraars keerden € 60 tot 100 miljoen aan schadepremies uit.

    "De mix van huizen en bomen is ideaal voor een prettige leefomgeving. Hij is ook ideaal voor maximale schade"

    1982: Debby a.k.a. Mauri

    En Gonzalo was nog niet eens een ‘echte’ superstorm. In de archieven trof het KNMI orkaan Debby aan: deze storm volgde in 1982 een vrijwel ideaal noordoostelijk pad, voor de kust van de Verenigde Staten langs, om met maximale energie in de gematigde klimaatzone te belanden. Vanaf daar ging Debby verder als superstorm Mauri — een van de krachtigste najaarsstormen in de geschreven geschiedenis van West Europa. Mauri raakte Lapland met windstoten tot 145 km/u en liet flink beschadigde boten en gebouwen achter. In de stadjes Kemi en Tornio veroorzaakte Mauri een vloedgolf waarbij twee doden vielen.

    Omdat Lapland relatief leeg is, ontstond de belangrijkste schade in de uitgestrekte Finse naaldwouden. Palmbomen mogen gebouwd zijn op winden met orkaankracht, loofbomen zijn dat niet. Naaldbomen zijn nog kwetsbaarder; ze gingen dan ook bij bosjes om.

    Ecoloog dr. Risto Jalkanen van het Instituut voor Natuurlijke Hulpbronnen in Rovaniemi, Lapland, wist me te vertellen dat Mauri binnen een paar uur drie miljoen kubieke meter aan naaldwoud velde. In de daaropvolgende twee jaar werden de omgevallen sparren met man en macht geoogst voor industrieel gebruik. Natuurlijk daalde de waarde van het hout doordat de naaldbomen met stomp en al om waren geblazen: die stompen moesten er eerst af worden gezaagd. Naast de plotselinge stijging in aanbod, betekenden de extra kosten van het verwijderen van die boomstompen nog een extra verlies voor boseigenaren.

    Jalkanen heeft geen berekeningen van de verliezen als geheel gezien. Hij weet wel dat de waarde van 3 miljoen kubieke meter vurenhout met de huidige prijzen rond de 80 miljoen euro bedraagt.

    De situatie in Nederland

    Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek bestaat Nederland voor ruim tien procent uit bos. De meest bosrijke gemeenten zijn Apeldoorn en Ede; deze mix van huizen en bomen is ideaal voor een prettige leefomgeving en wordt daarom landelijk nagestreefd. De mix is ook ideaal voor maximale schade aan wegen, spoorwegen, voertuigen, huizen en gebouwen, in het geval van een superstorm.

    Volgens Rudi Buis van Het Verbond van Verzekeraars merken verzekeraars in Nederland nu al dat het aantal schadeclaims stijgt als gevolg van het veranderende klimaat. Na de extreme hagelbuien in Brabant en Limburg op 23 juni 2016 ontvingen Nederlandse verzekeraars ruim 100.000 schademeldingen: meer dan tien keer zoveel als op een gewone dag. De totale verzekerde schade bedroeg zo’n 500 miljoen euro. 

    Volgens het Verbond van Verzekeraars is de gemiddelde jaarlijkse stormschade in Nederland zo'n 50 miljoen euro. Maar dit betreft de business-as-usual najaarsstormen, met een windsnelheid van gemiddeld 75 tot 90 km/u. Bij een zware najaarsstorm gaat de schade al flink omhoog. Als een superstorm zoals Mauri Nederland treft, zijn met name in de bosrijke verstedelijkte gebieden de economische gevolgen niet te overzien. 

    Het Stern Review on the Economics of Climate Change, een vuistdik rapport dat in 2006 gepubliceerd werd in opdracht van de Britse regering, schat in dat bij minimale stijging van de zeewatertemperatuur de kosten door stormschade aan infrastructuur al aanzienlijk toe zullen nemen. De schade door hevige regenval en overstromingen tijdens najaarsstormen — op dit moment zo’n 0,1 procent van het Britse bbp — kan in de toekomst toenemen tot 0,4 procent. Met het Britse bbp van 2016 spreek je dan over meer dan 12 miljard euro aan schade.

    Een kleine miljard euro aan stormschade

    Volgens de Britse onderzoekers betekent een stijging van 5 tot 10 procent in windsnelheden tijdens een najaarsstorm al een verdubbeling van de schadekosten. Een toename van 25 procent in de kracht van windstoten veroorzaakt tot zeven keer of meer zoveel schade aan infrastructuur, voertuigen en gebouwen.

    Tijdens Mauri werden windsnelheden tot 145 km/u gemeten: bijna 30 procent meer dan tijdens de gemiddelde Nederlandse najaarsstorm. Volgens het Verbond voor Verzekeraars was de gemiddelde schade tijdens de hevigste stormen die we recentelijk hebben meegemaakt (Kyrill in 2007 en Christian in 2013) zo’n 150 miljoen euro.

    Omdat de windsnelheden tijdens Mauri gemeten werden met 30 jaar oudere apparatuur, is het moeilijk om vergelijkingen te trekken tussen deze storm en Kyrill en Christian. Laten we daarom voor een superstorm voorzichtig een toename van 20 procent in windkracht ten opzichte van recente hevige najaarsstormen aannemen. Als zo’n superstorm een verstedelijkt gebied treft, hebben we het over 770 miljoen euro aan windschade alleen. Als je de schade door hevige regenval op dezelfde manier opschaalt, kun je nog eens 130 miljoen euro aan bijkomende kosten verwachten. Samen kom je dan uit op zo'n 900 miljoen euro.

    Deltawerken

    Tijdens Irma ontstond veel schade door windstoten en hevige regenval. Er is echter ook een derde aspect: de meeste schade ontstond door de stormvloedgolf, die ongeveer zo groot als Nederland was en grote delen van de kust van de Caraïben en Florida blank zette. In Nederland hebben we zo’n stormvloedgolf al eens op kleinere schaal meegemaakt, tijdens de watersnoodramp van 1953. Daarom hebben we de Deltawerken gebouwd. 

    Uit de klimaatmodellen van het KNMI en de universiteit van Princeton blijkt vooralsnog dat superstormen in de toekomst vooral vanuit het zuidwesten gaan komen. Aan de Nederlandse kust kan een hoge wateropzet echter alleen door een noordwesterstorm zoals die in 1953 veroorzaakt worden; de Noordzee werkt dan als een soort trechter. De Deltawerken zijn tijdens superstormen vanuit het zuidwesten dus niet in gevaar door extreme stormvloedgolven.

    Haarsma sluit echter niet uit dat stormen met orkaankracht ook vanuit het noordwesten kunnen komen — en daar zijn de Deltawerken niet op berekend. De rekentijd is simpelweg te duur om alle mogelijke scenario’s te doorlopen, maar dat neemt niet weg dat superstormen in Nederland de komende 20 jaar steeds waarschijnlijker worden. Een superstorm-vloedgolf vanuit het noordwesten zou een herhaling van het drama van 1953 kunnen betekenen. 

    Over de auteur

    Sam Gerrits

    Journalist en geochemicus. Deed meer dan tien jaar onderzoek in Afrika, Zuid-Amerika en op de Noordzee.

    Lees meer

    Volg deze auteur

    Dit artikel krijg je cadeau van Follow the Money.

    Diepgravende onderzoeksjournalistiek kost tijd en geld. Steun ons en

    word lid