© Studio Florentijn Hofman

Wat is er met het Nederlandse cabaret gebeurd?

Opinie
16

    De spiegel die de Nederlandse podiumkunstenaars ons voorhouden is vooral een lachspiegel geworden, schrijft gastauteur Rob Okhuijsen. Daarnaast lijkt deze steeds kleiner te worden, terwijl de wereld die hij moet reflecteren alleen maar groter en complexer wordt.

    De podiumkunsten hebben sinds mijn 15e levensjaar — nu 24 jaar geleden — mijn bijzondere belangstelling. Voor de ‘Cabarestafette’ en de eerste voorstelling van Mike Boddė en Thomas van Luyn, alias Ajuinen en Look met hun debuutprogramma De Fiets van Marleen, reisde ik van Loosdrecht naar Theater de Kom in Nieuwegein. Voor Britannicus van Jean Racine leidde de tocht in datzelfde jaar zelfs naar het grote Utrecht.

    Vernieuwing heeft sinds die tijd echter nauwelijks plaatsgevonden. Engagement lijkt verdwenen, de rode draad-voorstelling haast uitgestorven en het toneel is naar binnen gekeerd geworden. Nu kunnen mensen de neiging hebben om schildpad-gedrag te vertonen, zodra het ze allemaal te moeilijk of gevaarlijk wordt. De kunsten zouden ons nu daarentegen juist moeten stimuleren om de kop naar buiten gericht te houden, in plaats van deze onder of achter een schild te verbergen.

    Voor de kunstenaar vergt dat om te beginnen overeind blijven bij een aanval van de woeste horden. Voor die horden is ‘engagement’ een scheldwoord geworden. De VARA, bijvoorbeeld, was in de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw nog een door vriend en vijand gewaardeerde kweekschool voor cabaret en kleinkunst.

    Des te droeviger is het daarom te moeten zien hoe de term ‘VARA-cabaretier’ in sommige media, en dan vooral de sociale media, als belediging wordt gebruikt. Het cabaret en de kleinkunst trekken zich dat klaarblijkelijk nog aan ook: engagement is in het theater ver te zoeken. Freek de Jonge — misschien wel de laatste der mohikanen — wordt verguisd.

    Te vroeg gepiekt

    Het adagium lijkt ‘lach of ik schiet’ geworden. Hoe grover hoe beter, waarbij de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat De Jonge daar vroeger ook niet vies van was. Een rode draad zien we evenwel liever niet meer in een voorstelling. Het probleem met De Jonge is vooral dat hij te vroeg heeft gepiekt. Begin jaren ’80. Dat is lang geleden.

    En ja, hij is een ijdeltuit. Maar hij is vooral iemand die sinds die succesvolle jaren ’80 niet is gaan rentenieren, het zichzelf niet gemakkelijk heeft gemaakt en zichzelf steeds opnieuw probeert uit te vinden. Relevant probeert te blijven. En dat komt hem jammer genoeg vooral op negatieve kritiek te staan, al noteerde NRC naar aanleiding van De Jonges recente Verkiezingsconference De Stemming opgelucht: ‘De bijna spirituele toon van de afgelopen shows van Freek de Jonge heeft weer plaatsgemaakt voor snerpende woede.’

    We herinneren ons nog het fragment uit Pauw en Witteman, waarin eeuwige student Yernaz alle gelegenheid kreeg om De Jonge de maat te nemen. Disrespect was zijn deel. Niemand deed iets. GeenStijl nam de gelegenheid te baat om Freek direct maar dood te verklaren. Of blogs te publiceren die niet zouden misstaan in Engelse gossip media, zoals ‘Freek verneukt begrafenis’.

    Het adagium lijkt ‘lach of ik schiet’ te zijn geworden

    Recent kwam De Jonge weer in het nieuws, omdat hij opkomt voor de mensen in het door aardbevingen geteisterde Loppersum. Als kunstenaar kan ik impact hebben en die impact kunnen de mensen in het Noorden wel gebruiken, zo was ongeveer zijn redenering. ​

    Buiten de gebaande paden

    Zo moet het zijn. Om impact te maken, moet je buiten de gebaande paden durven treden en de rol van je bijdrage in de maatschappij en wereld zien. Wat is dan cabaret? Wat is dan kleinkunst? Wat is die rol? Schrijnend is dat de grote Youp ’t Hek — terecht leven wij allen mee met zijn fysiek welzijn! — alle krediet en lof krijgt. Maar zijn grootste verdienste naast het laten lachen van de mensen, bestaat uit het verdwijnen van het biermerk Buckler en een bijlage over callcenters in NRC Handelsblad, omdat zijn zoon niet direct goed werd geholpen bij een probleem met zo’n instelling. Is dat nou echt verdienstelijk? Voor een burgerlul misschien, om Youps eigen vocabulaire maar eens te gebruiken. Maar voor een kunstenaar nauwelijks, als u het mij vraagt.

    Dan pleit ik toch liever voor een herwaardering van Freek de Jonge. Van de actie ‘Bloed aan de paal’ rondom het WK voetbal in Argentinië in 1978 tot en met Loppersum, durfde deze te schuren, wrijving te veroorzaken, de ongemakkelijke spiegel voor te houden.

    En die spiegel mag weer groter, te beginnen bij de podiumkunsten. Trek mensen maar in die spiegel. Interacteer, participeer, treedt buiten het comfortabele pluche en de biotoop van het theater. Een goed voorbeeld hiervan vormen De Verleiders. Een gezelschap samengesteld uit de de mannen van de Kanis en Gunnink-reclame, George van Houts en Tom de Ket plus Pierre Bokma. U kent ze misschien. Ze brachten de kredietcrisis — een complex onderwerp — naar het theater. Maar ze gingen verder, met onder meer een burgerinitiatief. De Verleiders durven buiten het theater te treden; daarvoor kregen ze zowel lof als bergen kritiek over zich heen. ​

    "Kunst en cultuur hoeven niet altijd met een grote K of C te zijn"

    Een ander voorbeeld is Marijke Schermer, die met theatergroep Alaska de wereld van private equity naar de mensen bracht. In 2008 gaf Alaska de discussie over privaat geld in de kunsten input door een voorstelling te maken over geld, waarbij het decor verkocht werd als advertentieruimte: Sic Transit Gloria Mundi. De adverteerders werden aandeelhouders genoemd en kregen invloed op de inhoud van het stuk. Ze haalde hiermee zoveel geld binnen dat de gehele tournee gratis werd gespeeld voor het publiek. Zoiets was nooit eerder vertoond. Bijkomend voordeel was dat daardoor iedereen de voorstelling gratis kon bezoeken.

    Kunst en cultuur hoeven niet altijd met een grote K of C te zijn. Neem musical: ook dat genre kan een moeilijke boodschap op een aardige manier naar het grote publiek brengen. De musical Urine Town — in Nederland op de planken gebracht door M Lab — gaat feitelijk over de naargeestige Britse filosoof Malthus. The Lion King gaat feitelijk over de 15e-eeuwse Britse vorst Richard III.

    Straatkunst

    In de street art is Banksy een lichtend voorbeeld, recent nog in het nieuws door zijn afbeelding van Steve Jobs als vluchteling in Calais. Banksy’s werk is vaak rauw. Dat geëngageerde street art ook een vriendelijker gezicht kan hebben, bewijst de gigantische gele badeend van kunstenaar Florentijn Hofman (zie foto). In China was een mensenmassa op de been om de eend in de haven uit te zwaaien, terwijl acteur Jackie Chan er een bevlogen speech van hoop bij hield.

    De kunsten richten zich steeds meer naar binnen, in plaats van naar buiten

    De kunsten richten zich, net als de maatschappij, steeds meer naar binnen, in plaats van naar buiten. We analyseren en verklaren de redenen waarom we iets doen, in plaats van te kijken naar de vraag wat we er mee willen bereiken. We zijn zoveel met onszelf bezig. Zowel motieven als intenties zijn overigens uiteindelijk belangrijk, maar een eenzijdige focus op een van beide is funest. Neem bijvoorbeeld het duo Kasper C. Jansen en Michiel Lieuwma, voorheen samen De Snijtafel, waarop ze media, cultuur en muziek fileerden voor VPRO-tv. Persoonlijk vind ik het briljant en enorm geestig en – inderdaad – snedig. Maar tegelijkertijd schuilt er een groot risico in. De kunst legt zichzelf op diezelfde snijtafel en focust op motief in plaats van op inhoud en doel. Zodra we elkaar elke dag fileren en afpellen tot op de ziel, worden we schuw, angstig en komen we niet meer vooruit.  ​

    Farao Lubach

    Elke stroming heeft een vlaggenschip nodig dat de deining die zij zelf veroorzaakt kan trotseren. In Nederland zie ik Arjen Lubach als de admiraal die kunstvormen, publiek, media en interactie steeds beter beheerst. Hij gaat enorm complexe onderwerpen – zoals handelsverdrag TTIP – niet uit de weg, maar weet ze toegankelijk te maken voor een groot publiek. Hij krijgt het voor elkaar mensen erom te laten lachen, maar ze ook in beweging te zetten door middel van video’s, burgerinitiatieven, petities, spelletjes, noem maar op. Lubach, een podiumkunstenaar, doet het allemaal — en weet als geen ander deze vormen van theater en actievoeren te combineren, waarbij hij voor elk onderwerp de juiste presentatievorm weet te vinden en zelfs vormen en kanalen eindeloos weet te combineren. Bij elkaar heeft dat effect.

    Daarom blijf ik van mening dat Lubach de eerste Farao der Nederlanden moet worden. Helaas biedt de wet daartoe geen ruimte. Maar mensen, kijk niet gek op, als Lubach de Nederlandse Beppe Grillo wordt. Grillo (1948), een Italiaanse komiek, activist, theatermaker en blogger, stapte over naar de politiek. In 2013 werd hij met zijn Vijfsterrenbeweging in één keer met ruim 25 procent van de stemmen de grootste partij van Italië. Het zou goed kunnen dat Lubach — die een heel andere achtergrond maar eenzelfde potentie heeft als Grillo — de meest relevante beweging sinds Fortuyn weet te creëren. Als dat niet buiten het theater en je comfortzone treden is, dan weet ik het ook niet meer.

    Rob Okhuijsen is mediastrateeg, auteur en bestuurder van claim- en settlement stichtingen. Eerder verscheen van hem ‘ANP serveert nieuws met een smaakje’ op deze website. In 2014 publiceerde hij het boek Strategen van Catan bij uitgeverij Prometheus.

    Beeld: Courtesy Studio Florentijn Hofman

    Over de auteur

    Gastauteur

    FTM.nl biedt opiniemakers de gelegenheid om – op uitnodiging – een bijdrage aan maatschappelijke discussies te leveren.

    Lees meer

    Volg deze columnist

    Dit artikel krijg je cadeau van Follow the Money.

    Diepgravende onderzoeksjournalistiek kost tijd en geld. Steun ons en

    word lid