Wat Neerlands beroemdste econoom zijn huidige vakgenoten kan leren

2 Connecties

Werkvelden

Economie Wetenschap
26 Bijdragen

De economische wetenschap is te ver afgedreven van zijn maatschappelijke relevantie en is teveel het domein geworden van carrière-academici, zo betogen economiestudenten Lorenzo Fränkel en Maarten Kavelaars. Zij raden hun collega-economen aan om zich te laten inspireren door de bekendste Nederlandse econoom aller tijden: Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen.

Jan Tinbergen (1903–1994) groeide op in een intellectueel stimulerend en maatschappelijk betrokken gezin. Toen hij tijdens zijn studie natuurkunde in Leiden in de jaren ’20 van de vorige eeuw de postbode hielp de post te bezorgen, schrok hij van de armoede die hij om zich heen zag. Hij besloot zijn studie natuurkunde af te maken, maar zich daarna om te scholen tot econoom. Hij wilde een bijdrage leveren aan de strijd tegen sociale achterstelling.

Tinbergen wilde een bijdrage leveren aan de strijd tegen sociale achterstelling

Het is de bèta-achtergrond van Tinbergen die verklaart waarom hij zich als een van de eersten in de wereld bekwaamde in de econometrie, een terrein in de economische wetenschap met veel wiskunde en statistiek. Tinbergen wordt internationaal dan ook nog steeds gezien als een van de grondleggers van deze discipline. Destijds vonden de meeste economen dat de economische wetenschap vooral moest bestaan uit theorieën  die waren vervat in tekst. Met name de beroemde econoom John Maynard Keynes was een fel tegenstander van de econometrische methode, die hij betitelde als ‘statistische alchemie’. Het was echter Tinbergens overtuiging dat een wetenschap met cijfers veel preciezer kon meten hoe een economie functioneert en waar er zaken bijgeschaafd kunnen worden. In dienst van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) kreeg Tinbergen in de jaren ’30 veel vrijheid om deze ideeën verder te ontwikkelen. Terugkijkend op deze tijd kan met recht gesteld worden dat Tinbergen een van de wegbereiders is geweest van de manier waarop moderne economen te werk gaan, omdat wiskunde in de economische wetenschap gaandeweg een steeds prominentere rol heeft gekregen.

Systematische discussie

Het was dan ook niet opzienbarend dat Tinbergen, toen de Nederlandse economie na de Tweede Wereldoorlog in puin lag, de eerste directeur werd van het nieuwe Centraal Planbureau (CPB). De Nederlandse economie moest hersteld worden en een gedegen onderbouwde en strakke economische planning was hiervoor vereist. De taak van het CPB was dan ook een route uit te stippelen die de Nederlandse economie er weer bovenop kon brengen. Een perfecte taak voor Tinbergen. Hij zag de noodzaak van een systematische discussie over de logica achter het te voeren beleid, en zocht de systematiek in de door hem ontwikkelde analyses en modellen. Zijn benoeming bracht hem in een machtspositie van waaruit hij het lot van veel Nederlanders kon verbeteren, en Nederland kon sturen door moeilijke tijden van hoge inflatie, hoge werkloosheid en opgedroogde wereldhandel. Hij deed het met verve.

Ook nadat hij in 1955 bij het Centraal Planbureau was vertrokken, bleef Tinbergen zich inzetten voor de positie van de minder bedeelden in de samenleving. Zo ontwikkelde hij economische planning voor lage-inkomenslanden. Hiervoor gebruikte hij dezelfde wiskundige methoden die hij eerder bij het CPB had toegepast. Hij werd ontwikkelingsadviseur van landen als Egypte, Venezuela, Suriname en Pakistan, en voerde analyses uit in dienst van organisaties als de UNESCO en de VN, waar hij op hoog niveau werkzaam was. In 1969 beleefde hij zijn hoogtepunt, toen hij samen met de Noorse econoom Ragnar Frisch de allereerste Nobelprijs voor de Economie kreeg, ‘omdat hij dynamische modellen voor de analyse van economische processen heeft ontwikkeld en toegepast.’

Het was een tijd waarin economen de wereld wilden verbeteren

Op deze manier is Tinbergen het symbool geweest voor succesvolle economen van zijn generatie en heeft hij als voorbeeld gefungeerd voor vele Nederlandse economen in de decennia na zijn werkzame leven. Het was een tijd waarin economen de wereld wilden verbeteren. Met die reden stonden ‘de wetenschap’ en ‘Den Haag’ sterk met elkaar in verbinding. Neerlands beste economen hadden een centrale maatschappelijke functie.

Professionaliseringsslag

Sinds de tijd van Tinbergen is er echter veel veranderd. De economische wetenschap heeft in de laatste decennia van de vorige eeuw een grote professionaliseringsslag doorgemaakt. Waar wetenschappelijke economen lange tijd gezien werden als luxe ambtenaren met een rustige kantoorbaan, zijn zij nu voor het behoud van hun positie afhankelijk van de kwaliteit én kwantiteit van publicaties. Het gevolg hiervan is een exorbitant groeiende schrijfdrift. Waar alle Nederlandse economen bij elkaar in de jaren ’70 op jaarbasis tussen de veertig en vijftig artikelen publiceerden in erkende internationale vaktijdschriften, waren dit er in 2008 maar liefst 550.

De professionalisering is samengegaan met globalisering van de economische wetenschap. Waar de topeconomen in de tijd van Tinbergen veelal in eigen land werkten en ook over dat eigen land schreven, werkt een toenemend aantal Nederlandse topeconomen nu in het buitenland, voornamelijk in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Ook zijn steeds meer Nederlandse economen in de VS en het VK geschoold, waar zij Angelsaksische invloeden opdoen die ze meenemen als ze terugkomen naar Nederland. De globalisering van de wetenschap heeft daarom ook sterk geresulteerd in een ‘verangelsaksisering’ van de Nederlandse economisch-wetenschappelijke cultuur.

Het brandpunt van de economische wetenschap bevindt zich absoluut in de VS en VK, waar de allerbesten strijden om de weinige plekjes op instituten als Harvard, MIT, de London School of Economics en Oxbridge, en veel Nederlandse economen zich in het zweet werken om hun artikelen in Amerikaanse en Britse toptijdschriften gepubliceerd te krijgen. Gevolg hiervan is dat het werk van vooraanstaande Nederlandse economen een ander doel is gaan dienen. Uiteraard zijn er nog steeds universiteitseconomen met een dubbelfunctie in een beleidsorgaan, maar naam maken in Angelsaksisch-wetenschappelijke kringen is steeds meer het hoofddoel geworden. Ook in het onderwijs is deze ontwikkeling terug te zien. Zo zijn Angelsaksische stokpaardjes als geavanceerde wiskunde, prestige via allerlei rankings en kwantiteit in plaats van kwaliteit steeds meer centraal komen te staan aan Nederlandse economiefaculteiten.

In de internationale ranglijsten worden Nederlandse economen op Amerikanen, Britten en Canadezen na het meest geciteerd

Puur nadelig is deze ontwikkeling zeker niet. Vaak hadden knappe koppen als Tinbergen last van een gebrekkige wetenschappelijke infrastructuur, waardoor ze veelal op hun eigen kwaliteiten waren aangewezen. De hedendaagse internationalisering en professionalisering maakt veel betere kennisuitwisseling tussen verschillende instituten en economen mogelijk. Omdat dit samengaat met een cultuuromslag (weg van de ambtelijkheid en knokken voor de publicaties) is de professionaliteit en productiviteit van de Nederlandse economische wetenschap sterk toegenomen. Dit is terug te zien in de internationale ranglijsten, waar Nederlandse economen op Amerikanen, Britten en Canadezen na het meest geciteerd worden.

Kennis delen met gewone mensen

Toch zitten er ook wel degelijk negatieve kanten aan deze ontwikkelingen. Door de sterkere Angelsaksische invloed en de dominantie van de wiskunde is de afstand tussen veel goede Nederlandse economen en de Nederlandse samenleving sterk vergroot. Economen zijn minder generalistisch en meer specialistisch geworden, en hun keuze voor onderzoeksthema’s heeft steeds meer met deze, voor burgers vaak ongrijpbare specialisatie te maken. Het functioneren van de Nederlandse economie zelf raakt zo geleidelijk steeds verder uit beeld.

Tegelijkertijd laten economen als Thomas Piketty en Dani Rodrik zien dat het ook mogelijk is  economie weer dicht bij de mensen te brengen. Alleen op deze manier blijft maatschappelijk relevante kennis niet in elitaire bubbels hangen, maar kan zij met een breed publiek gedeeld worden. Zo kan de economische wetenschap haar maatschappelijke relevantie vergroten. Helaas wordt het feit dat Piketty in 2014 in een uitverkocht Paradiso over zijn boek Kapitaal in de 21ste eeuw sprak, niet meegenomen in de publicatie- en citatieranglijsten, waardoor we een van ’s wereld’s bekendste en meest relevante economen terugvinden op plaats 459 van de wereldwijde economenranglijst. Het is een symptoom van de hedendaagse discrepantie tussen samenleving en wetenschap.

Een tweede zorgelijke ontwikkeling is de groeiende kloof tussen het werkveld van vooraanstaande Nederlandse economen en het Nederlandse economische beleid. De blik van de Nederlandse econoom richt zich niet langer op Den Haag, maar op Chicago en Boston. Intussen worden het CPB en CBS steeds meer door mensen uit ‘Den Haag’ zelf bevolkt. Waar Tinbergen zichzelf ten doel stelde de sociaal-economische positie van mensen te verbeteren via een nationale beleidsagenda, zijn er tegenwoordig steeds minder economen die zich op een dergelijke manier met hun vak bezighouden. Dit is jammer, omdat het mooie van de economische wetenschap juist is dat ze kan worden vertaald in concrete beleidsinstrumenten die een bijdrage leveren aan maatschappelijke verbetering.

Maatschappelijke relevantie centraal

In de huidige context kunnen we daarom twee belangrijke dingen leren van onze geestelijk voorvader Jan Tinbergen. Ten eerste houdt hij onze generatie een spiegel voor als het gaat om de maatschappelijke relevantie van de economische wetenschap. Waar Tinbergen uitdagingen zag toen hij in Leiden om zich heen keek, zien wij de uitdagingen voor onze samenleving als we vooruitkijken: klimaatverandering, groeiende inkomens- en vermogensongelijkheid en grote migratiestromen die de druk op onze verzorgingsstaat opvoeren. Het zijn maatschappelijke vraagstukken met een economische kern, en Tinbergen leert ons dat complexe wiskundige analyses alleen van waarde zijn als ze bijdragen aan de aanpak van de genoemde uitdagingen.

Piketty, een van de meest relevante economen van onze tijd, komt niet verder dan plaats 459 op de wereldwijde economenranglijst

De tweede les van Tinbergen is dat de nadruk op maatschappelijke relevantie een houding van economen vergt waarin niet publicaties in wetenschappelijke tijdschriften en naamsvermeldingen op ranglijsten centraal staan, maar burgers, welzijn en de toekomst. Dit vergt een reflectie op de doelen die wij onszelf als economen zouden moeten stellen, maar het vergt net zo goed een wetenschappelijke structuur waarin economen door allerlei maatstaven niet structureel in het Angelsaksische keurslijf gedwongen worden. Dit vereist om te beginnen een onderwijsprogramma waarin economiestudenten gevormd worden met gevoel voor mens en maatschappij, en niet slechts modellen en wiskundige trucs leren te produceren.

Jan Tinbergen zou voor deze zaak op de barricaden gaan. Nu het woord aan een nieuwe generatie is, nemen wij graag het stokje van hem over.

Dit artikel is geschreven door Maarten Kavelaars en Lorenzo Fränkel, twee studenten van Rethinking Economics NL. Het verscheen eerder op de website Young Critics.

 

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Gastauteur

Gevolgd door 338 leden

FTM.nl biedt opiniemakers de gelegenheid om – op uitnodiging – een bijdrage aan maatschappelijke discussies te leveren.