Wat verdient de Nederlandse één procent?

3 Connecties

Onderwerpen

Vermogen Inkomen

Werkvelden

Economie
26 Bijdragen

Inkomensongelijkheid staat weer op de agenda, met dank aan het werk van de Franse econoom Thomas Piketty. Maar hoe zit het eigenlijk met de één procent in Nederland?

De één procent tegen de negenennegentig procent: met deze slogan werden tentjes opgezet in openbare aangelegenheden en toog men met vampierinktvissen door de Amerikaanse straten. De goegemeente moest het doen met het fecale restproducten van de door de één procent opgevreten koek. Schande! Het mag ietwat ronkend klinken, maar de kamperende demonstranten hadden een gedegen empirische onderbouwing voor hun één procent aversie. De Franse econoom Thomas Piketty doet al decennia onderzoek naar de inkomens- en vermogensverdeling in de wereld. Deze maand verscheen Piketty zijn boek Capital in the Twenty First Century. Monikkenwerk -- duizenden belastingaangiftes die terugdateren tot de negentiende eeuw doornemen om te becijferen hoeveel er in een ver en duister verleden werd verdiend. Piketty maakte met zijn onderzoek inzichtelijk dat de top één procent van Amerikaanse grootverdieners anno 2012 weer een even groot beslag legt op het totaalinkomen als in 1929. Maar hoe zit dat in Nederland? Qua inkomensverdeling was Nederland ooit één van de grote zondaars. Omstreeks 1916, terwijl in de oorlogvoerende landen hard werd genivelleerd, bereikte het inkomensaandeel van de top één procent zelfs een ongeëvenaarde 27 procent. Vooruitgang, vooruitgang, want inmiddels lijkt Nederland zich te schikken onder de meest progressieve landen. Toch is alleen naar de inkomensverdeling kijken te beperkt. Het is niet alleen belangrijk om de stromen van inkomen te traceren, maar ook de voorraad aan verzameld geld, beter bekend als het vermogen, inzichtelijk te maken. En daar wordt het moeilijk: gedetailleerde vermogensstatistiek over de één procent wordt door het CBS niet bijgehouden. Gegevensverzamelaar Piketty laat Nederland ook links liggen als het om vermogensstatistiek gaat. Het laatste gedetailleerde werk over de vermogensverhoudingen in Nederland stamt uit 1984. Opmerkelijk genoeg, als we de laatste berichten mogen geloven, is de vermogensongelijkheid, in tegenstelling tot de gematigde ontwikkeling van de inkomensongelijkheid, wel enorm gegroeid. De rijkste 1,3 procent van de huishoudens heeft ruim 39 procent van al het vermogen in handen, zo laat de bank Van Lanschot in een onderzoek zien. Daarmee zou Nederland weer bijna op het niveau van vlak na de oorlog zitten. Nog specifieker: de Quote 500, de rijkste 0,007 procent der Nederlanders, hebben met een totaalbezit van 113.1 miljard euro ruim 9,7 procent van al het privé vermogen in handen. Dat is meer dan de minst vermogende 70 procent van de Nederlandse huishoudens bij elkaar. Het verschil tussen de inkomens- en vermogensongelijkheid is toch enigszins vreemd. Vermogen is immers gewoon de som van alle inkomstenstromen. Een toegenomen vermogensongelijkheid moet eigenlijk per definitie voorafgegaan zijn door toegenomen inkomensongelijkheid. In de Nederlandse statistiek is hier dus iets raars aan de hand. Een verklaring kan zijn dat inkomensstatistiek vaak ontleend wordt aan gegevens van de belastingdienst. Als de belastingdienst haar definitie van inkomen veranderd, dan kan dit grote gevolgen hebben voor de mate waarin inkomensongelijkheid wordt gemeten. De belastingherziening 2001, waarin er in plaats van het ware rendement op vermogen wordt gerekend met een fictief rendement van vier procent, zorgt er bijvoorbeeld voor dat het inkomen waarschijnlijk wordt onderschat. Rekenen met een fictief rendement is internationaal gezien uitzonderlijk. Om dit soort belastingeigenaardigheden kan de inkomensstatistiek in Nederland slecht vergelijkbaar is met buitenlandse gegevens.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Jesse Frederik
Jesse Frederik
In de zomer van 2011 ontvingen we per email een open sollicitatie van de 22-jarige Jesse Frederik uit Nijmegen die zichzelf o...