© EPA / Gian Ehrenzeller

Het kapitalismesprookje van Max Roser en Bill Gates

    Hoe meer we erachter komen dat de beloftes van het doordruppelkapitalisme loos zijn gebleken, hoe wanhopiger de elite probeert de ongewassen massa van het tegendeel te overtuigen.

    Dat is wat die jaarlijkse jamboree van de rijken in Davos, het World Economic Forum, is geworden: een bootcamp voor de elite in kapitalismemarketing. Welke organische intellectueel van de factor kapitaal heeft dit jaar de beste grafiek weten te produceren om de populisten te overtuigen van de zegeningen van het kapitalisme?

    Twee jaar geleden was het Branko Milanovic, hoofdeconoom van de Wereldbank, die furore maakte met zijn zogenaamde olifantgrafiek. Gebaseerd op data die de verdeling van de toegevoegde waarde geproduceerd tussen 1988 en 2008 over verschillende inkomensgroepen uitdrukten, concludeerde Milanovic dat de inkomensongelijkheid in het Rijke Noorden weliswaar fors was toegenomen maar dat de mondiale ongelijkheid door de enorme welvaartssprong die de onderklasse in het Arme Zuiden had doorgemaakt, was afgenomen.

    Het ging erin als koek bij de Davos-elite. Die had sinds 2014, het Piketty-jaar, in haar maag gezeten met de toenemende politisering van de oplopende ongelijkheid in landen als het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Diezelfde elite zag met lede ogen toe hoe in West-Europa en Noord-Amerika populisten aan de haal gingen met Piketty’s U-vormige grafieken om te betogen dat het mondiale kapitalisme weliswaar leuk was voor de ‘happy few’ (de punt van de slurf uit Milanovics grafiek) maar desastreus was geweest voor de onderklasse in Europa en Amerika (de wortel van de slurf uit Milanovics grafiek). In 2014 was het zelfs het voornaamste thema van de jaarlijkse bijeenkomst in Davos.

    Het duurde niet lang voordat Milanovics olifantgrafiek onder vuur kwam te liggen

    Met Milanovic in de hand konden ze in Davos hun populistische uitdagers om de oren slaan met het verwijt dat zij hardvochtige welvaartschauvinisten waren, die welvaartsbehoud voor de eigen, al relatief welvarende achterban zwaarder lieten wegen dan de immense welvaartstoename van honderden miljoenen Aziaten. En daarmee verlies je bij de hoogopgeleide middenklasse, die veel minder van mondialisering te vrezen had en zich nauwelijks nog solidair voelde met de onderklasse, al snel het morele pleit.

    En dus waande de elite zich voorlopig veilig: het mondiale kapitalisme is wél goed voor de gewone man en vrouw, zij het minder voor die in Europa en Amerika en meer voor die in Azië. En dat de rijkste tien procent er nog het meeste aan heeft, dankt die aan zijn arbeidsethos en opleidingspeil, en is dus welverdiend – aldus het zelfgenoegzame verhaal dat de Davos-elite graag over zichzelf vertelt.

    Het duurde niet lang voordat Milanovics olifantgrafiek onder vuur kwam te liggen. De economisch antropoloog Jason Hicksel was en is de meest uitgesproken criticus van dit soort kapitalistische jubelverhalen. In zijn vorig jaar verschenen The Divide maakt hij er korte metten mee. Niet alleen is de empirische basis onder de grafiek uiterst wankel (voor grote delen van de wereld bestaan simpelweg geen betrouwbare inkomensdata); uit de embourgeoisement van de mondiale onderklasse die Milanovic beschrijft, kun je volgens Hickel bovendien onmogelijk de superioriteit van het mondiale kapitalisme afleiden.

    De zes decielen die je als de winnaars van de globalisering zou kunnen aanduiden, vertegenwoordigen bijvoorbeeld 500 tot 600 miljoen Chinezen. En hun welvaartsstijging heeft minder met marktwerking te maken dan met de onderhandelingsmacht van de Chinese staat, die bij de toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie in 2001 door zijn omvang en de kwaliteit van zijn staatsapparaat betere handelsvoorwaarden (‘terms of trade’) wist te bedingen dan andere ontwikkelingslanden. Oftewel: het was de sterke staat die de voorwaarden schiep waaronder buitenlandse multinationals mochten opereren en die daarmee bepaalde welk percentage van de toegevoegde waarde die zij produceren in het China bleef hangen – en hoe dat vervolgens onder de bevolking wordt verdeeld. En dat is toch echt een ander verhaal dan het pro-markt-verhaal dat de Davos-elite er uit destilleert.

    Minstens één van Rosers grafieken is uiterst suggestief, om niet te zeggen vals

    Dit jaar waren het maar liefst zes grafieken die moesten bewijzen dat we toch echt in de beste van alle mogelijke werelden leefden, en dat het maar eens uit moest zijn met het geweeklaag van de populisten. Ze waren in elkaar gezet door Max Roser van Our World in Data en werden via Twitter verspreid door Bill Gates.

    De zes grafieken laten zien dat de mensheid er in tweehonderd jaar kapitalisme fiks op vooruit is gegaan wat betreft welvaart (afnemende armoede), geletterdheid, onderwijs, democratische zeggenschap, vaccinatie en kindersterfte. Wat dat betreft herhalen de grafieken simpelweg de blijde boodschap van de dr. Pangloss van de 21ste eeuw, Steven Pinker. Die pretendeert in zijn laatste boek, Enlightenment Now, immers data in te zetten tegen de onderbuikgevoelens; hij betoogt dat de mensheid het nog nooit zo goed heeft gehad en de doemdenkers het bij het verkeerde eind hebben.

    Niet alleen zwijgen de grafieken van Roser (en Gates) in alle toonaarden over de immense ecologische schade waarmee deze welvaarts- en welzijnsstijgingen gepaard zijn gegaan, bovendien is volgens (ja, daar is ’ie weer) Jason Hickel minstens één van die grafieken uiterst suggestief, om niet te zeggen vals. De grafiek in kwestie moet aantonen dat het kapitalisme een zeer succesvolle armoedebestrijdingsmachine is geweest: leefden in 1820 nog 94 op de honderd mensen in extreme armoede, tweehonderd jaar later zijn dat er nog maar tien. En dat is dan toch maar mooi het gevolg van marktwerking en mondialisering.

    In een ingezonden stuk in The Guardian van 29 januari veegt Hickel de vloer aan met het optimisme van Roser en Gates. Volgens Hickel overschatten zij de historische armoede en onderschatten zij de moderne armoede. Dat zit zo: langetermijn-tijdreeksen over mondiale armoede bestaan niet. Dat betekent dat Roser en consorten twee andere datareeksen hebben moeten combineren om aan hun grafiek te komen. De ene geeft de historische groei per hoofd van de bevolking aan, en meet dus alleen de waarde van markttransacties; de andere bevat recente consumptiedata op huishoudniveau op basis van enquêtes. En voor beide geldt dat de data vooral afkomstig zijn uit wat nu het Rijke Noorden heet, en dus eigenlijk geen uitspraken toestaan over ontwikkelingen in het Arme Zuiden.

    Dat heeft twee gevolgen. Ten eerste dat de betrouwbaarheid van de data – en dus van de grafiek – exponentieel afneemt naarmate deze verder teruggaat in de tijd. En uiteraard reppen Roser en Gates daar met geen woord over. Ten tweede: wat wordt gemeten is niet afnemende armoede, maar juist toenemende monetarisering en proletarisering.

    De ‘welvaartswinst’ van de afgelopen eeuw kan wel eens welvaartsverlies zijn geweest

    Tot diep in de negentiende eeuw speelde het leven van de meeste mensen zich buiten de officiële geldeconomie af. Op meentgronden verbouwde men gewassen of hield men (pluim)vee, op de landerijen van de vorst mocht men jagen en sprokkelen, en onderling verleende men elkaar diensten in geval van onvoorziene gebeurtenissen. Dat voorkwam extreme armoede vrij effectief, maar zit allemaal niet in de data die Roser en consorten gebruiken. Vandaar de overschatting van de historische armoede: door dit soort arrangementen was er vroeger simpelweg veel minder armoede dan Roser en consorten kunnen meten. En dat betekent dat de welvaartswinst die zij presenteren ook veel minder groot is geweest.

    In een recente blogpost werkt Hickel deze punten verder uit en betoogt hij dat die ‘welvaartswinst’ wel eens welvaartsverlies zou kunnen zijn. Verwijzend naar de historische literatuur over kolonisatie laat Hickel zien dat de grootschalige vernietiging van meentgronden in India, Belgisch Congo en het Verenigd Koninkrijk gepaard ging met miljoenen doden, grootschalige ecologische verwoesting en de creatie van een lompenproletariaat dat afhankelijk werd van de arbeidsmarkt en de officiële geldeconomie. Volgens Hickel verklaart dit de mondiale economische groei per hoofd van de bevolking vanaf 1820 beter dan werkelijke welvaartsstijging: wat voorheen sociale ruilrelaties waren die niet werden gemeten, werden na de vernietiging van de meentgronden markttransacties en daarmee economische groei. Oftewel: onze welvaartsstijging is eerder een meeteffect dan een uitdrukking van een werkelijke groei van de welvaart.

    Belangrijker, aldus Hickel, is dat het bedrag dat mensen dagelijks tot hun beschikking moeten hebben om niet in extreme armoede te leven, namelijk 1,90 Amerikaanse dollar, gewoon veel te laag is. Volgens armoede-onderzoekers zou dat eerder 7,40 dollar moeten zijn.

    Neem je dat laatste getal als drempel, dan leeft anno 2013 nog altijd meer dan de helft van de mensheid in extreme armoede, tegen driekwart van de mensheid in 1980. Een geringe daling, zeker tegen de achtergrond van bijna veertig jaar exponentiële economische groei – waarvan het leeuwendeel terecht is gekomen bij mensen als Bill Gates, en maar vijf procent bij de allerarmsten.

    Het zijn kritieken als deze die blootleggen wat het kapitalisme-optimisme van Roser, Gates en Pinker feitelijk behelst: cynische reclameslogans die ons moeten doen geloven dat er geen roofzuchtige kapitalistische elite bestaat, maar dat alles wordt bestuurd door de onzichtbare hand van de immer heilzame markt. Een markt die het beste voor heeft met het wel en wee van iedereen.

    Trap er niet in!

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Ewald Engelen

    Gevolgd door 1894 leden

    FTM-columnist van het eerste uur, financieel geograaf aan de UvA en actief voor de Partij voor de Dieren.

    Volg Ewald Engelen
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren