Wat gebeurt er met de gegevens die overheden, bedrijven en instellingen over ons opslaan? Wat als ze gehackt of gegijzeld worden? Hoe veilig zijn onze systemen, en onze data? Lees meer

De analoge en digitale wereld lopen steeds meer in elkaar over, internet en technologie knopen alles aan elkaar: beleid, sociale structuren, economie, surveillance, opsporing, transparantie en zeggenschap.

Ondertussen worden we overspoeld door ransomware, digitale desinformatie en diefstal van intellectueel eigendom. Conflicten worden tegenwoordig ook uitgevochten in cyberspace. Hoe kwetsbaar zijn we precies, en hoe kunnen we ons beter wapenen?

We laten overal digitale sporen achter, vaak zonder dat te weten of er iets tegen te kunnen doen. Al die aan ons onttrokken data worden bewaard en verwerkt, ook door de overheid. Dat gebeurt niet altijd netjes. Zo veegde  het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in een vernietigend vonnis het Nederlandse anti-fraudesysteem Syri van tafel. Hoe riskant het is om op dataverzamelingen van burgers algoritmes los te laten – datamodellen die vrij autonoom beslissingen nemen – bewijst de Toeslagenaffaire. Die laat ook zien wat het effect is van ‘verkeerde’ registraties die zich als onkruid door overheidssystemen lijken voort te planten, zonder dat iemand ze nog kan stoppen of wijzigen.

En zijn al die gegevens van burgers en klanten wel veilig? Wie kan erbij, wie mag erbij, wat als ze gehackt of gegijzeld worden? Hoe kwetsbaar maakt onze afhankelijkheid van data ons?

42 artikelen

© Matteo Bal

Woekerwinsten voor uitgevers van wetenschappelijke tijdschriften, ondanks nieuwe regels

1 Connectie

Relaties

open access
13 Bijdragen

Wetenschappelijke tijdschriften zijn razend duur. Daardoor is onderzoek dat met publiek geld is gefinancierd, lang niet voor iedereen toegankelijk. Inmiddels hebben veel landen – waaronder ook Nederland – bepaald dat rond 2024/25 alle wetenschappelijke studies vrij beschikbaar moeten zijn. De commerciële uitgevers verzonnen een truc: lezen wordt gratis, maar onderzoekers moeten betalen om te mogen publiceren.

Dit stuk in 1 minuut
  • Universiteitsbibliotheken moeten jaarlijks diep in de buidel tasten voor dure abonnementen om academici toegang te kunnen geven wetenschappelijk onderzoek. Commerciële uitgevers hebben die tijdschriften vrijwel gemonopoliseerd. Ze betalen de auteurs meestal niet, eisen het alleenrecht op publicatie op en vragen extreem hoge bedragen voor de tijdschriften. Dat terwijl het meeste onderzoek gefinancierd is met publiek geld.
  • Inmiddels bepleiten steeds meer instanties en landen open access-publicaties: artikelen zijn dan gratis beschikbaar voor iedereen die ze lezen wil.
  • Waar eerder het publieke geld linksom, via abonnementen, bij de uitgevers kwam, gaat dat nu steeds meer rechtsom, via de kosten die auteurs moeten betalen om een artikel open access te publiceren.
  • ‘De uitgevers parasiteren op de wetenschap,’ zegt Stephanie Haustein, die het monopolie van de wetenschappelijk uitgevers onderzoekt. ‘Hun doel is om winst te maken en niet om kennis zo goed mogelijk te verspreiden. De uitgevers hebben grotere winstmarges dan Apple, Amazon of Big Farma.’
Lees verder

Wetenschappers waren de eersten die wisten dat je via internet makkelijk, snel en verhoudingsgewijs goedkoop informatie kon verzamelen, organiseren en delen. Want juist met dat oogmerk hadden ze eind jaren tachtig internet ontwikkeld.

Het stak daarom des te meer dat hun eigen geprinte publicaties gaandeweg slechter beschikbaar werden. Na een paar grote fusies onder uitgevers waren de abonnementsprijzen van wetenschappelijke tijdschriften omhoog geschoten. Drie- of vierduizend gulden voor een jaarlidmaatschap was niet ongewoon, en sommige tijdschriften werden alleen nog als onderdeel van een (duur) pakket verkocht. Voor de universiteitsbibliotheken tikte dat aan: zij moesten voor elk van die tijdschriften – en dat waren er veel – zowat het gewicht in goud neertellen om de onderzoekers van hun instelling van vakliteratuur te voorzien.

Wat de zaak extra pijnlijk maakte: wie in zo’n tijdschrift wilde publiceren, kreeg gewoonlijk niet betaald en moest zijn auteursrecht aan de uitgever overdragen. De uitgevers verdienden kortom aan onderzoek dat met publiek geld was gefinancierd, eisten het alleenrecht op publicatie ervan, en stelden dat artikel vervolgens alleen tegen fikse betaling aan andere onderzoekers beschikbaar.

‘Wij academische sukkels [hebben] onszelf geboeid en gekneveld uitgeleverd aan de gladjanussen van de commercie’

In 1997 schreef Vincent Icke, hoogleraar theoretische sterrenkunde aan de Universiteit Leiden, een boutade over het monopolie van de wetenschappelijk uitgevers. Uit geldnood had Ickes eigen faculteit de bibliotheek inmiddels opgeheven. Duizenden boeken waren vernietigd, veel abonnementen waren opgezegd, het resterende deel was ondergebracht bij de collega’s van de scheikundefaculteit. ‘Wij academische sukkels [hebben] onszelf geboeid en gekneveld uitgeleverd aan de gladjanussen van de commercie,’ stelde Icke.

Jaren later zouden ook anderen klagen dat ‘universiteitsbibliotheken jaarlijks diep in de buidel [moeten] tasten voor dure databanklicenties om hun gebruikers toegang te kunnen geven tot onderzoeksresultaten van hun “eigen” wetenschappers. Wie zich bovendien realiseert dat het meeste onderzoek gefinancierd wordt met publieke gelden, zal zich toch even achter de oren krabben.’

Icke had ook een oplossing. Hij pleitte voor wat open access zou gaan heten: onderzoek digitaal publiceren en dat, als onderdeel van het publiek domein, voortaan gratis ter beschikking stellen – aan onderzoekers en buitenstaanders.

In 1997 maakte de Amerikaanse National Library of Medicine zijn index van medische vakliteratuur, de grootste ter wereld, toegankelijk via PubMed. Nadat de toegang tot dit overzicht gratis werd, vertienvoudigde het gebruik ervan. Dat suggereerde dat de kosten voor velen bezwaarlijk waren geweest: kennelijk had geldgebrek de verspreiding van wetenschappelijke kennis in de weg gestaan.

Van vereniging tot monopolie

De eerste wetenschappelijke tijdschriften verschenen in 1665. Hun doel: wetenschappelijke kennis vooruit brengen en voorkomen dat onderzoek nodeloos zou worden herhaald. Tot aan de Tweede Wereldoorlog werden zulke tijdschriften hoofdzakelijk door wetenschappelijke verenigingen uitgebracht.

Daarna kocht een handvol uitgevers het merendeel van de wetenschappelijke titels op en bood ze, verpakt in diverse pakketten, bij universiteitsbibliotheken en andere wetenschappelijke instellingen aan. De uitgevers konden vragen wat ze wilden: de bibliotheken konden moeilijk weigeren. Zonder toegang tot wetenschappelijke literatuur zouden onderzoekers en studenten in opstand komen. 

Door de komst van het internet leken de uitgevers hun macht te zullen verliezen. Zakenblad Forbes voorspelde in 1995 dat wetenschappelijk uitgever Elsevier ‘het eerste slachtoffer van internet’ zou zijn. Zoals de dure Encyclopedia Britannica en de Winkler Prins later door Wikipedia vervangen zou worden, zo zouden de peperdure abonnementen op wetenschappelijke tijdschriften tot het verleden gaan behoren.

Lees verder Inklappen

De uitgangspunten van open access werden in 2002 vastgelegd in het Budapest Open Access Initiative: ‘Een oude traditie en een nieuwe technologie vallen nu samen en maken zo een ongekend publiek goed mogelijk. De oude traditie: de bereidheid van wetenschappers om de vruchten van hun onderzoek gratis te publiceren, ten dienste van kennisvermeerdering. De nieuwe technologie: internet. Bijeengenomen maken ze de wereldwijde elektronische verspreiding van peer reviewed tijdschriftliteratuur mogelijk, en bieden ze wetenschappers, onderzoekers, studenten en andere geïnteresseerden kosteloos en onbeperkt toegang.’

Vervolgens sloot zowat alles en iedereen zich aan, ook in Nederland. In 2003 verscheen de Berlijnse open access-verklaring, die in 2005 werd ondertekend door de Nederlandse universiteiten, de HBO-raad en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Nederland verklaarde 2009 tot het Open Access Jaar.

Desondanks heeft open access nog amper een deuk in het verdienmodel van de commerciële uitgevers geslagen. Een kwart tot de helft van alle wetenschappelijke publicaties wereldwijd wordt nu via open access beschikbaar gesteld, het leeuwendeel blijft worden uitgepond, de Berlijnse verklaring en haar ondertekenaars ten spijt.

Soorten open access

Er zijn verschillende vormen van open access. 

Green open access kost niets. Het gaat vaak om auteursmanuscripten en onderzoek dat (nog) niet peer reviewed is. Een bekend voorbeeld is Arxiv.com, dat met donaties in de lucht wordt gehouden. Onderzoeksfinanciers moedigen  wetenschappers daarnaast aan om hun peer reviewed en al door uitgevers geaccepteerde (maar nog niet door hen opgemaakte) manuscripten te delen.

Gold open access betekent dat het hele artikel online staat en voor iedereen gratis te lezen is. De onderzoekers of onderzoeksinstellingen betalen hiervoor kosten, de zogeheten article processing charges (apc’s), gemiddeld zo’n 2000 dollar per artikel.

Bij hybrid open access bestaat de betaalmuur en het abonnement voor het tijdschrift nog. Maar tegen betaling van gemiddeld 3000 dollar kan een individueel artikel ook open access gemaakt worden. 

Diamond open access is open en gratis, ook voor de onderzoeksinstellingen en de auteurs. De kosten worden betaald door donaties, lidmaatschap of vrijwilligerswerk.

Lees verder Inklappen

De martelaar en de piratenkoningin

Niet iedereen wachtte kalmpjes af totdat de uitgevers overstag zouden gaan – of totdat hen de wacht zou worden aangezegd. Sommigen wilden een doorbraak forceren. De bekendsten van hen: Aaron Swartz en Alexandra Elbakyan.

Als tiener zette Swartz een voorloper van Wikipedia op en hielp hij Creative Commons opzetten. Eind 2005 – hij was net 19 – sloot hij zich aan bij het sociale platform Reddit. Toen dat in 2006 door Condé Nast werd opgekocht, was Swartz in een klap miljonair.

Swartz had bij het Massachusetts Institute of Technology (MIT) toegang tot de Journal Storage (JSTOR), een database met duizenden wetenschappelijke tijdschriften. Hij werd gearresteerd kort nadat hij op 6 januari 2011 in de serverruimte van het MIT 70 gigabyte aan artikelen uit JSTOR had gedownload. 

Wat Swartz daarmee van plan was, zou nooit duidelijk worden. Mogelijk wilde hij de artikelen openbaar toegankelijk maken, in overeenstemming met zijn Guerrilla Open Access Manifesto uit 2008, waarin hij schreef: ‘Informatie is macht. [..] Het totaal aan wetenschappelijke en culturele erfgoed dat in de loop der eeuwen in boeken en tijdschriften is vervat, wordt in toenemende mate gedigitaliseerd en gemonopoliseerd door een handjevol bedrijven [..] Wie toegang tot dit materiaal heeft, is bevoorrecht. [..] Maar je hoeft dat privilege niet voor jezelf te reserveren. Je hebt een plicht om dat met de wereld te delen.’

De officier van justitie eiste 35 jaar gevangenisstraf wegens auteursrechtinbreuk plus een boete van 1 miljoen dollar. Na twee jaar procederen kon Swartz zijn advocaten niet meer betalen. Op 11 januari 2013, hij was 26 jaar, heeft Aaron Swartz zich verhangen. Sindsdien geldt hij als martelaar van de open access-beweging. 

Alexandra Elbakyan uit Kazachstan – haar bijnaam: ‘Science’s Pirate Queen’ – kon de honderden artikelen die ze voor haar studie nodig had, niet betalen. Via sympathiserende wetenschappers kreeg ze toegang tot hun betaalde abonnementen; ze downloadde artikelen en zette die op haar website, ten behoeve van onderzoekers die in hetzelfde parket verkeerden als zij. Inmiddels heeft ze circa 100 miljoen artikelen verzameld op Sci-Hub; volgens een studie uit 2018 zijn dat zowat alle wetenschappelijke artikelen.

De grote uitgevers hebben in diverse landen rechtszaken aangespannen (en gewonnen) om Sci-hub te verbieden, maar Elbakyan verplaatste haar servers dan prompt naar landen waar geen verbod gold, of werd nageleefd. Sinds 2021 heeft ze geen nieuwe artikelen aan Sci-Hub toegevoegd. 

Een rechtszaak die Elsevier, Wiley en de American Chemical Society tegen Sci-Hub en Elbakyan hebben aangespannen, ligt nu bij het Hooggerechtshof van Delhi, India. De uitgevers beschuldigen Elbakyan ervan ‘de veiligheid van bibliotheken en instellingen voor hoger onderwijs in gevaar te brengen, door ongeautoriseerde toegang te verschaffen tot wetenschappelijke databases en ander intellectueel eigendom’.

Zou de uitspraak in het voordeel van Elbakyan uitvallen, dan kan dat verstrekkende gevolgen voor de uitgevers hebben, maar het daar ziet het niet naar uit.

In haar verweer in de rechtszaken tegen haar en haar site wijst Elbakyan er steevast op dat geen enkele wetenschapper heeft geklaagd dat ze hun inloggegevens heeft gebruikt. Ze wijst erop dat Elsevier zelf geen auteur is en de auteurs ook niet betaalt. ‘De consensus in de onderzoeksgemeenschap is dat onderzoeksartikelen gratis horen te worden verspreid.’

‘Nederland is koploper’

Op het eerste gezicht wint de open access-beweging terrein. Er verdwijnen nu minder wetenschappelijke artikelen achter een betaalmuur: wereldwijd ligt het percentage open access-publicaties tussen de 25 en 50 procent. In Nederland ligt dat hoger, en is het percentage de afgelopen vijf jaar bijna verdubbeld: van 42 naar 82 procent.

Nederland gaat er prat op hierin een ‘gidsfunctie’ te vervullen. Al in 2013 stelde staatssecretaris van Onderwijs Sander Dekker (VVD) in een Kamerbrief dat alle Nederlandse publicaties in 2024 open access moesten zijn. ‘Ik ben er trots op dat Nederland een van de koplopers is als het gaat om open access,’ zei ook minister van Onderwijs en Wetenschappen Ingrid van Engelshoven (D66) in 2018.

Robert-Jan Smits, tegenwoordig president van de Technische Universiteit Eindhoven, is de architect van Plan S, een initiatief van elf Europese landen die in 2018 een doorbraak wilden forceren. Onderzoek moet onmiddellijk na verschijnen publiek beschikbaar zijn, indien het is betaald door financiers die behoren tot cOAlition S, zoals de World Health Organisation, de Bill & Melinda Gates Foundation en de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). 

Ook de VS schakelen over op open access. Op 25 augustus besloot de regering van Joe Biden dat vanaf eind 2025 al het door de Amerikaanse overheid gefinancierde onderzoek onmiddellijk en gratis beschikbaar moet zijn voor lezers over de hele wereld.

Olifant in de kamer

Maar terwijl er nu inderdaad meer artikelen open access verschijnen, staat er een een olifant in de kamer stiekem winst te vergaren. De uitgevers besloten de betaalmuren niet weg te halen, maar ze te verplaatsen.

In ons land gebeurde dat nota bene op voorspraak van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). De toenmalige NWO-voorzitter, Jos Engelen, opperde op een conferentie ter evaluatie van het Open Access Jaar 2009 een remedie voor de te verwachten inkomstenderving van de uitgevers. Hij bepleitte ‘een aanpassing van [hun] businessmodel’: ’Laat de auteur betalen voor de publicatiekosten, maar met behoud van het copyright.’

Dat is precies wat er gebeurde. De uitgevers verruilden de betaalmuur voor de lezers voor eentje voor de onderzoekers. Dat deden ze via article processing charges (apc’s): kosten die auteurs moeten betalen om hun artikel voor iedereen toegankelijk te maken. Dat kan oplopen tot duizenden euro per artikel. En niemand weet waarop dat bedrag is gebaseerd.

‘Van pay to read naar pay to publish gaan, betekent dat de universiteiten alle kosten gaan dragen,’ zegt Pascal Braak, open access-specialist van de Universiteit van Amsterdam. ‘De leesrechten worden gedragen door alle lezers, de publicatierechten alleen door de auteurs. Dus als alles open access wordt, ontstaat er een enorme druk op onze budgetten. De ongelijkheid bij de toegang tot informatie verdwijnt, maar nu ontstaat bij pay to publish een nieuw probleem: alleen wie geld heeft kan publiceren.’ 

In november 2020 maakte toptijdschrift Nature bekend dat het auteurs voor open access tot 9500 euro per artikel zou rekenen

Deze kosten kunnen absurd hoog oplopen. In november 2020 maakte toptijdschrift Nature bekend dat het auteurs voor publicatie van artikelen via open access tot 9500 euro zou rekenen (toen omgerekend 11 duizend dollar). De reacties varieerden van verbazing tot verontwaardiging. Veel mensen constateerden dat Springer – de uitgever van de Nature-groep – zich deze opstelling kon veroorloven omdat wetenschappers kost wat het kost in prestigieuze tijdschriften willen publiceren.

Kosten onduidelijk

‘De echte kosten die de uitgeverijen maken, krijg je niet boven water,’ zegt Hubert Krekels, bibliothecaris van de universiteit van Wageningen. ‘De afspraken die uitgevers maken met de universiteiten zijn ook vertrouwelijk.’

De Fair Open Access Alliance (FOAA), die de controle over het publicatieproces wil teruggeven aan de wetenschappelijke gemeenschap, probeert die kosten op tafel te krijgen. De FOAA heeft inmiddels een methodiek ontwikkeld om de berekening van de article processing charges inzichtelijk te maken. Een aantal tijdschriften heeft dat inmiddels gedaan. Op grond daarvan concludeert de FOAA dat de daadwerkelijke publicatiekosten van een open access artikel hooguit 1000 dollar zouden bedragen.

Ook Stefanie Haustein en Leigh-Ann Butler hebben gepoogd een tipje van de sluier op te lichten. Haustein verwierf in 2016 faam met een studie die liet zien dat de grote wetenschappelijke uitgevers – Reed-Elsevier, Sage, Wiley-Blackwell, Springer en Taylor & Francis – gaandeweg alle wetenschappelijke tijdschriften opslokten en in 2013 al meer dan 50 procent van al deze tijdschriften in bezit hadden. ‘Het oligopolie van academische uitgevers,’ noemde Haustein dat. 

Aan de hand van open bronnen maakten Butler en Haustein een schatting van de inkomsten die de vijf grootste uitgevers tussen 2014 en 2018 uit de publicatie van open access-artikelen haalden.

Volgens hen berekenden de uitgevers de auteurs in deze periode 1,06 miljard dollar voor de publicatie van 505.903 artikelen. Per artikel is dat gemiddeld circa tweeduizend dollar. ‘Mijn vermoeden is dat het na 2018 meer is geworden,’ zegt Haustein. ‘Daarnaast verdienen de grote uitgeverijen nog steeds grote hoeveelheden geld aan abonnementen.’

De uitgevers stellen dat ze veel kosten maken om artikelen open access te publiceren. Ze moeten servers huren bij Amazon of Microsoft, beoordelingssystemen organiseren, en websites optuigen.

Maar ook wanneer je deze kosten meerekent, zijn de winsten extreem hoog. Neem Springer Nature: in 2017 had dat een omzet 1,3 miljard dollar, de winstmarge was 22 procent.

Stroomversnelling door corona

Door de coronacrisis raakte de open access-beweging in een stroomversnelling. De pandemie maakte duidelijk hoe krom het commerciële systeem van wetenschappelijke uitgaven was. Artsen in arme landen en wetenschapsjournalisten hadden geen toegang tot artikelen die coronaviriussen beschreven, of onderzoek naar mondkapjes.

Onder druk van overheden en gezondheidsinstanties maakten Elsevier en Springer Nature uiteindelijk 200 duizend wetenschappelijke artikelen gerelateerd aan Covid-19 openbaar. 

En dat riep nieuwe vragen op. Waarom is de wetenschappelijke kennis over malaria eigenlijk niet openbaar, of die over apenpokken en de vogelgriep, twee pandemieën die nu spelen? En verdwijnen de artikelen niet weer achter de betaalmuur nadat de crisis voorbij is?

‘Het is toch kolder,’ zegt Pascal Braak, open access-specialist van de Universiteit van Amsterdam, ‘dat artsen hier in Nederland in een ziekenhuis een informatiespecialist kunnen vragen: “Doe eens een systematische review van de huidige stand van zaken rond het opereren van een meniscus” en dat een arts in Congo geen toegang heeft tot die kennis, omdat hij niet bij die literatuur kan.’ 

Lees verder Inklappen

‘We blijven open access-tijdschriften lanceren, waarin de auteur betaalt,’ zei Nick Luff, de chief financial officer van RELX – beter bekend onder de oude naam Reed Elsevier – in oktober 2020 tegen investeerders. ‘In ons halfjaarverslag zeiden we dat het volume open access 40 procent is gestegen [..]. We wilden onszelf er strategisch van verzekeren dat we alle takken van wetenschap goed gedekt hebben, alle disciplines en alle kwaliteitsniveaus, zodat er altijd wel ergens een Elsevier-tijdschrift is waarin een wetenschapper kan publiceren. [..] Dus dat is wat we doen en dat helpt die zeer sterke groei in open access-tijdschriften te stimuleren.’

De grote uitgeverijen proberen nu meer tijdschriften in de markt te zetten, zodat ook mindere onderzoeksresultaten tegen betaling kunnen worden gepubliceerd. ‘Dat is niet per definitie slecht,’ zegt Arjan Schalken, programmamanager van de Nederlandse Universiteitsbibliotheken (UKB). ‘Maar wordt het gebruikt voor kostenbesparing of winstoptimalisatie? Het laatste lijkt het geval. Een commerciële uitgever zal de winst proberen te optimaliseren, terwijl wij zouden willen dat de kosten beperkt blijven, zodat er meer geld in het wetenschappelijke proces zelf blijft.’

‘De uitgevers parasiteren op de wetenschap,’ zegt Haustein, ‘het doel van de uitgevers is om winst te maken en niet om kennis zo goed mogelijk te verspreiden. De uitgevers hebben grotere winstmarges dan Apple, Amazon of Big Farma.’

De divisie Science, Technology, Engineering and Mathematics van RELX had het eerste half jaar van 2022 een brutowinstmarge van 37,1 procent.

Geen marktwerking

Voor de houdgreep waarin de wetenschappelijke wereld verkeert, zijn twee oorzaken.

‘Een, er is geen vrije markt en twee: toptijdschriften zijn de sleutel tot je carrière,’ zegt Matthijs van Otegem, directeur van de universiteitsbibliotheek van Utrecht. Hij onderhandelt voor het consortium van Nederlandse universiteiten en ziekenhuizen met de grote uitgevers.

Hij licht het gebrek aan marktwerking als volgt toe: ‘Als jij een artikel schrijft en ik wil dat lezen, dan moet ik het tijdschrift hebben waarin jouw artikel staat, en moet ik betalen wat ervoor wordt gevraagd. Als ik bij de groenteboer een appel te duur vind, kies ik een andere appel, of een andere groenteboer.’ 

Ieder vakgebied heeft zijn eigen toptijdschrift. Zeg je tegen wetenschappers: we zeggen ons abonnement op Cell op, want dat is te duur, dan komen ze in opstand. En begrijpelijk. Publicaties in de toptijdschriften zijn de sleutel tot academisch succes. Moderne wetenschap is topsport waar artikelen in toptijdschriften de trofee zijn die je toegang geven tot een vaste baan, promotie of een grote onderzoekssubsidie. 

Allesbepalend is de Hirsch-index, een rangschikking die aangeeft hoeveel ‘impact’ een onderzoeker heeft. Iemands Hirsch-index kan worden opgezocht met de dienst Scopus, die ook weer in handen is van Elsevier. Ook de impactfactor van tijdschriften zelf is te bekijken in Scopus. Hoewel het onderliggende wiskundige model bekend is, is de dataset waarmee de impactfactor wordt berekend niet publiek beschikbaar.

Prestige

‘Publiceren is handel, verweven met de academische carrières en het academische beloningssysteem,’ zegt Stephanie Haustein. Het leidt ook tot druk om positieve resultaten te publiceren in toonaangevende tijdschriften en negatieve resultaten te verzwijgen. 

‘Onderzoekers moeten begrijpen dat zij als gemeenschap de kwaliteit zijn, niet het stempel van Springer en Elsevier’

Maar de wetenschap kan zich aan de druk van de uitgevers onttrekken. Dat vergt wel enig zelfbewustzijn, zegt Haustein. ‘Onderzoekers moeten begrijpen dat zij als gemeenschap de kwaliteit zijn. Niet de fraaie layout of het stempel van Springer en Elsevier maken een tijdschrift goed, maar de redacteur en de redactie. De wetenschappelijke gemeenschap dus. Het enige wat de uitgevers hebben, zijn de merknamen van de tijdschriften. De academische gemeenschap heeft de kwaliteit.’

Een aantal tijdschriften heeft zichzelf inmiddels losgemaakt van de grote uitgevers: dat wordt ‘flippen’ genoemd. Zo nam de redactie van Lingua in oktober 2015 ontslag, omdat ze niet met Elsevier tot overeenstemming konden komen over eerlijke bedragen voor open access-publicaties. Het tijdschrift heet nu Glossa, en het gaat er goed mee.

‘Wij hebben hetzelfde gedaan,’ zegt Haustein, ‘ik zat in de redactie van het Journal of Informetrics, een klein prestigieus tijdschrift voor onze kleine gemeenschap. Via Elsevier wilden we betaalbare open access leveren. Elsevier steunde dit niet. Als redactie hebben we toen besloten Elsevier te verlaten, wat wel betekende dat we de naam moesten opgeven.’

Prijsplafond

Een tweede route om onder de druk van de uitgevers uit te komen, is via regulering, zoals een maximaal bedrag voor de apc’s die in rekening mogen worden gebracht.

‘Ik zou een prijsplafond instellen,’ zegt Hubert Krekels, bibliothecaris van de universiteit van Wageningen. ‘Dat kan voor gas, dat kan voor olie, dat kan ook voor publicaties. Toon maar aan dat het voor 1000 euro niet kan. Ik denk dat geen enkele uitgever dat kan waarmaken.’

Zo’n plafond zal armere landen echter niet helpen, zegt Van Otegem van de universiteitsbibliotheek van Utrecht. ‘Ook 1000 euro per artikel is voor hen te veel. De dure abonnementen konden veel universiteiten in armere regio’s ook niet betalen, maar hun wetenschappers konden wel in die tijdschriften publiceren. Nu is het andersom. We sluiten ze uit van het systeem van wetenschappelijke communicatie. Als je diep in mijn hart kijkt, moeten we deze discussie achter ons laten en naar een diamond-systeem toe.’

Diamond [zie eerder kader] zijn de tijdschriften die zowel gratis zijn te lezen als waarin je zonder kosten kunt publiceren. Dergelijke tijdschriften zijn afhankelijk van lidmaatschappen, donaties of vrijwilligers.

‘Iets zoals The Internet Archive,’ zegt Sarah Lamdan. Ze is de schrijver van het boek Data Cartels, dat deze maand bij de Stanford University Press verschijnt. The Internet Archive is een digitale bibliotheek met als missie universele toegang te bieden tot alle kennis, films/video's, bewegende beelden en miljoenen boeken. Het was een belangrijke bron voor het onderzoek van Leigh-Ann Butler en Stephanie Haustein.

‘Maar op dit moment zijn dit soort initiatieven afhankelijk van subsidies en gulle giften,’ zegt Lamdan, ‘We hebben een systeem nodig dat financieel solide is.’

Business intelligence

De uitgevers lijken er al op te anticiperen dat ze het op lange termijn met abonnementen en apc’s alleen niet meer zullen redden. Ze storten zich nu veel meer storten op de rankings,’ zegt Krekels. ‘Denk aan de bibliometrische analyses, de toegevoegde waarde van hun discovery tools.’

‘Ze voorspellen welke wetenschap het belangrijkst zal worden, welke laboratoria gefinancierd moeten worden. Ze beslissen kortom wat belangrijk is’

In die zin zal open access meer gaan lijken op Spotify dan op Wikipedia. Gaandeweg veranderen uitgevers in business intelligence-bedrijven, die bijhouden welke wetenschap ‘hot’ is en welke wetenschappers ‘invloedrijk’ zijn.

‘De grote uitgeverijen verzamelen steeds meer persoonlijke gegevens,’ zegt Sarah Lamden. ‘Ze kijken bij welke artikelen je blijft hangen, waar je op klikt en welke artikelen je citeert, en ze gebruiken die informatie om nieuwe producten te maken, die ze aan nieuwe klanten kunnen verkopen. Ze voorspellen welke wetenschap het belangrijkst zal worden, welke laboratoria gefinancierd moeten worden. Ze beslissen kortom wat belangrijk is.’

Open data

De volgende slag lijkt te zullen gaan over de data: de meetresultaten. Tegenwoordig worden bij wetenschappelijke artikelen geregeld alle data bijgevoegd, zodat anderen de resultaten kunnen controleren, of de data zelf kunnen gebruiken. De uitgevers zijn geïnteresseerd in deze data, omdat er mogelijk waarde – of zelfs patenten – in verstopt zitten. 

‘Het besef begint door te dringen dat je data ook kunt publiceren en kunt delen,’ zegt Irene Haslinger, directeur van de bibliotheek van de TU Delft. ‘Daar moeten we infrastructuren voor maken. We hebben nu de kans om dat op de goede manier te doen. We moeten ervoor waken die data niet via de grote uitgevers te organiseren, maar zorgen dat universiteiten of vakgebieden dat in eigen hand houden.’ 

Het Internet Archive geeft een voorbeeld van hoe je grote hoeveelheden data kan bewaren, doorzoekbaar kan maken en gratis aan kunt bieden. Een bibliotheek zonder winstoogmerk, waar de kennis van de wereld verzameld is, als zoals in de bibliotheek van Alexandrië.

In de hal van het hoofdkwartier van the Internet Archive in San Francisco staat een beeld van Aaron Swartz.