De gasvelden in de Noordzee raken leeg, maar de zee staat nog vol met verouderde productieplatforms. Exploitanten zijn wettelijk verplicht om de platforms na gebruik te verwijderen, maar ze geven daar geen prioriteit aan. Waarom niet? En wie moet er opdraaien voor de opruimkosten? Lorenzo Fränkel zal de komende tijd onderzoek doen naar de ontmantelingsproblematiek op de Noordzee.

    Een verlaten stalen skelet midden op de Noordzee, bedekt met roest en bladderende verf als gevolg van decennialange teistering door bijtend zout en gierende wind. Ooit een baken van energieonafhankelijkheid na de energiecrisis van de jaren ’70, nu de stille maar o zo zichtbare getuige van het einde van het fossiele tijdperk op de Noordzee. Er was een tijd dat dit platform honderdduizenden kubieke meters gas per dag naar boven haalde, inmiddels ligt het al ruim twee jaar stil. Het gasveld is leeg.

    Zoals dit productieplatform zijn er nog honderden in de Noordzee die rijp zijn voor de schroothoop. Platforms die volgens de wet verwijderd moeten worden. De komende jaren moet er ruim 2 miljoen ton aan staal en beton uit de zee worden gehaald. Dat zijn zo'n 2 miljoen auto's geparkeerd op 3400 voetbalvelden. Of negen keer De Rotterdam — het grootste gebouw van Europa.

    De ontmanteling van deze stalen skeletten moet het steeds afleggen tegen de constante zoektocht naar nieuwe olie- en gasreserves. Opruimen bungelt onderaan de prioriteitenlijst bij de olie- en gasindustrie. Wordt de Noordzee de eeuwige rustplaats van honderden betonnen en stalen platforms?

    Einde levensduur

    De Noordzee is al meer dan 50 jaar een onmisbare energieleverancier voor de landen eromheen. Voor Nederland is de zee voornamelijk een bron van aardgas, waarvan ons land de grootste producent is binnen de Europese Unie. Het Noordzeegas leverde de staatskas sinds 1974 in totaal zo’n 250 miljard euro op. Vorig jaar was de bijdrage aan de staatskas 10,3 miljard euro.

    Volgens Energie Beheer Nederland (EBN), het staatsbedrijf dat namens de staat participeert in de gasvelden, is ruim 90 procent van de velden die nu nog in gebruik zijn, praktisch uitgeput. Bovendien worden er steeds minder nieuwe reserves ontdekt: vorig jaar was de vervangingsratio — de mate waarin productie wordt aangevuld met nieuwe reserves — slechts 30 procent. 

    De minister van Economische Zaken kan een deadline voor ontmanteling opleggen aan de exploitant

    Boven deze leeglopende gasvelden staan verouderde productieplatforms, waarvan de geschiedenis teruggaat tot 1974. In dat jaar werden de eerste offshoreplatforms in het Nederlandse gedeelte van de Noordzee gebouwd door Placid Oil (nu Engie) en Pennzoil (nu Wintershall). Inmiddels staan er 179 platforms voor de kust van Nederland, waarvan 80 procent ouder is dan 20 jaar. Veel van deze platforms naderen nu het einde van hun ontwerplevensduur. Wat gaat hiermee gebeuren als ze uit de roulatie zijn?

    Ontmantelingsverplichting

    In de sector worden stilliggende platforms idle iron genoemd. De discussie over deze categorie platforms brak in 1995 los door de kwestie rond het platform Brent Spar. Oliemaatschappij Shell wilde het dobberende platform afzinken, maar een campagne van Greenpeace voorkwam dit.

    Volgens de OSPAR Commissie, de internationale vereniging van olie- en gasproducerende Noordzeelanden, staan er in totaal zo’n 1350 offshore-installaties in de Noordzee. Zo’n 600 daarvan zijn vaste platforms. Van de offshore-installaties die er nu nog staan, zijn er 245 — goed voor 2 miljoen beton en staal — al rijp voor de schroothoop en moeten dus verwijderd worden, aldus Atlantic Marine and Offshore (AMO) uit Rotterdam in een rapport. In jargon wordt dit decommissioning genoemd. De verplichting voor licentiehouders om offshoreplatforms te ontmantelen is vastgelegd in de OSPAR Decision 98/3 uit 1998. Die bepaalt dat een mijnbouwinstallatie in zijn geheel moet worden verwijderd na gebruik. Nederland heeft hier eigen wetgeving voor. Ook artikel 44 van de Mijnbouwwet verplicht de exploitant om een mijnbouwinstallatie te verwijderen als deze niet langer in gebruik is. De minister van Economische Zaken kan volgens deze wet zelfs een deadline voor ontmanteling opleggen aan de exploitant.

    Deze wet heeft betrekking op de 179 Nederlandse platforms in de Noordzee. Gegevens van het NL Olie- en Gasportaal laten zien dat van die 179 platforms er 22 in 2015 niets meer hebben geproduceerd. Dit komt ruwweg overeen met de 21 Nederlandse platforms die AMO in zijn rapport heeft aangewezen voor ontmanteling. Het zijn over het algemeen niet de allergrootste installaties. De helft van de Nederlandse platforms op de Noordzee weegt minder dan 2.500 ton en 75 procent weegt minder dan 1.500 ton, waarmee ze internationaal gezien aan de kleine kant zijn. Als we ervan uitgaan dat de 22 inactieve platforms elk gemiddeld 1.500 ton wegen — een vrij voorzichtige schatting — komen we volgens de bedragen in het EBN-rapport op een totaalbedrag van minimaal 2,5 miljard en maximaal 10,9 miljard euro aan opruimkosten.

    Oplopende kosten

    En hoe langer we wachten, hoe duurder het wordt. De verwachte kosten voor het verwijderen van de gasinstallaties op de Noordzee stijgen volgens EBN elk jaar. Het staatsbedrijf houdt op dit moment een reserve van 3,9 miljard euro aan voor de ontmanteling van offshore-installaties.

    De verwachte kosten voor het verwijderen van de gasinstallaties op de Noordzee stijgen elk jaar

    EBN zegt dat het ‘een uitdaging’ is om te schatten hoeveel reserves er moeten worden aangehouden om de uiteindelijke kosten te dekken. In het rapport van het staatsbedrijf valt te lezen dat de budgetten van de ontmantelingsprojecten al vaak zijn overschreden. Vooral de eerste fase, plug and abandon — het dichtmaken van het gat in de zeebodem — bleek problematisch. Hierbij zijn de kosten soms tot 50 procent hoger uitgevallen dan verwacht.

    De moeite om een accurate prognose van de ontmantelingskosten te maken, is volgens EBN vooral gelegen in het feit dat ontmanteling op de Noordzee een nieuwe tak van sport is voor de olie- en gasindustrie. Dat verhaal gaat wellicht op voor de Noordzee, maar wereldwijd is er ervaring genoeg. Nadat orkaan Katrina in 2005 grote schade had aangericht aan zo’n 80 platforms in de Golf van Mexico, werden de roestbakken op zee met grote voortvarendheid ontmanteld. In 2014 alleen al werden er in de Golf van Mexico 210 platforms verwijderd, en in de periode 2009-2013 waren dat er in totaal 1.240.

    Daartegenover laat de ontmanteling van het Britse platform North West Hutton van British Petroleum (BP) zien dat de kosten inderdaad veel hoger kunnen uitvallen dan verwacht. Het platform werd in 2009 ontmanteld door de Nederlandse aannemer Heerema Marina Contractors, en BP laat in een rapport weten dat de kosten ‘onrealistisch laag’ waren ingeschat. In 2005 werden de ontmantelingskosten geschat op 165 miljoen Britse ponden, maar uiteindelijk liepen deze op tot 246 miljoen.

    Volgens EBN vormen deze moeilijk voorspelbare kosten aan het einde van de productiefase — de fase waarin de Noordzee zich bevindt — een groot risico voor exploitanten en uiteindelijk ook de Nederlandse staat. Het ministerie van Economische Zaken is namelijk de enige aandeelhouder in het staatsbedrijf, dat voor 40 procent participeert in alle opsporings- en winningsactiviteiten in Nederland. Als mede-exploitant van de activiteiten op de Noordzee zal EBN dus voor een groot deel van de opruimkosten moeten opdraaien. Via de staat zal dan 70 procent hiervan terechtkomen bij de Nederlandse belastingbetaler, aldus EBN.

    Onderaan prioriteitenlijst

    Pricewaterhouse Coopers (PwC) publiceerde onlangs een rapport over de resterende kansen op de Noordzee voor de olie- en gasindustrie. Daarin noemt PwC ontmanteling de ‘olifant in de kamer’. Ondanks toenemende erkenning vanuit de olie- en gasindustrie voor de urgentie van dit probleem, bungelt ontmanteling onderaan het prioriteitenlijstje — na thema’s als samenwerking, technologie, innovatie en de rol van de overheid.


    Geertjan Hoek, ceo Venture Counsels

    "Ontmanteling is bij ingenieurs en projectmanagers niet populair, omdat dat soort projecten geen carrièremakers zijn"

    ‘Ontmanteling is bij ingenieurs en projectmanagers niet populair, omdat dat soort projecten geen carrièremakers zijn,’ legt Geertjan Hoek uit. Hij is ceo van Venture Counsels, voormalig manager van de juridische afdeling bij Heerema Marine Contractors, en expert over het juridisch raamwerk van offshore ontmanteling. ‘Terwijl iets oordeelkundig slopen ingewikkelder is dan nieuwbouw. Met name de oude platforms zijn niet ontworpen om te slopen, wat het verwijderen complex maakt.’

    In 2010 schatte EBN dat er 40 platforms zouden moeten worden ontmanteld. Maar het verlengen van de levensduur van een gasveld behoort tot de primaire doelen van EBN. Het staatsbedrijf meldt dan ook dat er tot nu toe geen 40, maar ‘slechts een paar’ platforms ontmanteld zijn. Dat komt doordat er ‘succesvolle nieuwe ontwikkelingen zijn die de levensduur van de platforms hebben verlengd’. Verdere citaten uit de EBN-rapporten illustreren dat het een prioriteit is om de platforms zo lang mogelijk in gebruik te houden of te hergebruiken:

    [...] production from small gas fields in the Netherlands is declining steadily. EBN is aiming to slow down this trend, given the limited window of opportunity that remains as the ageing offshore infrastructure — platforms, pipelines and wells — is rapidly approaching decommissioning. [...] Extending the life of these fields will require major efforts and has the full attention of EBN and the operators.

    As of today, only a few platforms have been decommissioned. However, current estimates show that the vast majority of the platforms are at risk in the coming years. Decommissioning will become a reality for a number of these platforms. EBN and partners are working together to ensure that the installations are not prematurely removed and that valuable resources, for both the E&P sector and the Dutch State, are not definitively lost.

    As part of the strategy review which EBN started early 2016, a high-level strategy has been formulated on reuse and decommissioning. In order to make the value chain more sustainable EBN wishes to make reuse a more common practice throughout the E&P life cycle.

    ‘Het toenemende risico dat offshore-infrastructuur zal verdwijnen, creëert de urgentie voor toenemende exploratie’

    In een Kamerbrief over het jaarverslag van de delfstoffenwinning licht minister Henk Kamp (EZ) de kernstrategieën van EBN verder toe. ‘Eén van de strategische pijlers van EBN is om operators te faciliteren en te stimuleren om te investeren in bestaande en nieuwe gas- en olievelden,’ zegt Kamp. ‘Verder richt EBN zich met mijnbouwondernemingen op het zoeken naar en het ontwikkelen en uiteindelijk winnen van nieuwe velden. Als derde strategische pijler richt EBN zich op een actief beheer van zijn deelnemingen in de exploratie en exploitatie van aardgas.’

    Sterker nog, EBN stelt: ‘Het toenemende risico dat offshore-infrastructuur zal verdwijnen, creëert de urgentie voor toenemende exploratie’ zodat de kosten van ontmanteling ‘uitgesteld kunnen worden’. Samen met de gasindustrie doet EBN er dus alles aan om de laatste molecuul aardgas uit de Noordzee te pompen, met weinig oog voor de fase nadat de gasvelden leeg zijn. Ondanks het feit dat het staatsbedrijf zelf herhaaldelijk de stijgende en onvoorspelbare kosten van ontmanteling aankaart. 

    Bovendien kan minister Kamp volgens de Mijnbouwwet een deadline voor de ontmanteling opleggen aan de exploitant. EBN zegt echter in zijn rapport dat dit tot op heden nog nooit is gedaan. Gemiddeld duurde het vier jaar voordat bij een stilliggend platform over is gegaan tot ontmanteling, maar dat is ook wel eens opgelopen tot 12 jaar. De wet stelt dat de minister dus wel kan ingrijpen op dit gebied, maar het blijkt dat ontmanteling bij EZ weinig prioriteit heeft.

    Bail-out?

    Tijd is een belangrijke factor in de ontmantelingskwestie, aangezien de kosten elk jaar oplopen. Met de huidige lage gasprijzen en hoge operationele kosten dreigen bovendien veel platforms de komende jaren te stoppen met produceren, aldus EBN. Offshore-specialist Theodoor Vollaard van Atlantic Marine and Offshore zegt dat ‘als de olieprijzen zo laag blijven, de dividenduitkeringen op hetzelfde niveau blijven en de oliemaatschappijen in hun toekomst blijven investeren op zoek naar nieuwe reserves, er inderdaad steeds minder geld overblijft voor ontmanteling — kosten die ook nog ieder jaar oplopen.’

    De combinatie van dalende gasbaten, het zoeken naar nieuwe reserves als hoofddoel van de sector en stijgende ontmantelingskosten lijken het recept voor een Noordzee waarop verlaten en vergeten platforms eeuwig blijven staan. En als de platforms al worden ontmanteld, wie zal dan voor de kosten opdraaien? EBN kampt met krappe opruimreserves. Wanneer die ontoereikend blijken om de oplopende ontmantelingskosten te dekken, dan zouden budgetoverschotten afgewenteld kunnen worden op de belastingbetaler. Dreigt er een bail-out voor de gasindustrie?

    Dreigt er een bail-out voor de gasindustrie?

    Vele vragen

    De vraag die nadrukkelijk moet worden gesteld is of Nederland wel goed is voorbereid op de monsterprojecten op de Noordzee, waar wettelijk gezien geen ontkomen aan is. Hebben de exploitanten genoeg reserves aangehouden om de ontmanteling te kunnen betalen, en hoe wordt een en ander uiteindelijk gefinancierd? Staatsbedrijf EBN kaart dan wel in zes van de acht rapporten ontmanteling aan, maar hoe ver reikt het mandaat van EBN om hier het voortouw in te nemen en verplichtingen op te leggen? En welke rol zou sectorautoriteit Staatstoezicht op de mijnen (Sodm) in dit vraagstuk moeten spelen? Op het gebied van duurzaamheid en milieu lijkt ontmanteling voor de hand liggend, maar voor welke doeleinden kunnen de platforms worden hergebruikt? Nucleaire reactoren en windturbines hebben immers ook een beperkte levensduur. Hoe is ontmanteling in die sectoren geregeld? Reserves aanhouden is een vrij simpel boekhoudkundig vraagstuk, maar hoe kijken de accountantskantoren naar dit probleem? Shell gaat binnenkort de platforms in het langst producerende olieveld in de Noordzee, Brent, ontmantelen. Hoe gaat de oliereus dit doen? En wat zijn de kansen voor de Nederlandse aannemers, die van ons land een koploper kunnen maken in de ontmantelingsindustrie? Wat kan Nederland leren van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, die op het gebied van ontmanteling veel verder zijn? En natuurlijk de hamvraag: hoe kan Nederland er het best voor zorgen dat de verouderde productieplatforms op de Noordzee op een verantwoorde wijze worden ontmanteld?

    Dit zijn vragen die de komende tijd aan de orde zullen komen in ons dossier over het het einde van het fossiele tijdperk op de Noordzee.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Lorenzo Fränkel

    Lorenzo studeerde milieu-economie aan de VU Amsterdam, en richt zich met passie op de grote energietransitie. Voor Follow the...

    Volg Lorenzo Fränkel
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren
    Dit artikel zit in het dossier

    Schroothoop Noordzee

    Gevolgd door 133 leden

    De gasvelden in de Noordzee raken leeg, maar de zee staat nog vol met verouderde platforms. Exploitanten zijn wettelijk verpl...

    Volg dossier