Ook de winnaars in de varkensindustrie zijn hun bestaan niet zeker

De biologische varkenshouderij zit helemaal niet te wachten op een stormachtige toename van het aantal biologische producenten. Het prijspeil is nu prima, maar de sector is op dit moment nog dermate fragiel dat de hoge prijzen snel kunnen kelderen. Hoe lang gaat het nog goed?

Toen Jeroen en Nieske Neimeijer het bedrijf van Jeroens ouders in 2007 overnamen, besloten ze meteen om biologisch te gaan produceren. Jeroen is eigenaar van een detacheringsbureau voor de agrarische sector en voorzitter van de Vereniging Biologische Varkenshouders. Nieske runt de varkenshouderij, die is gevestigd in het Overijsselse Heino.

De Neimeijers behoren tot de zeldzame winnaars in de varkensteelt. De prijzen voor biologisch varkensvlees zijn hoog, en dat kan de desbetreffende varkenshouders uiteraard niet lang genoeg duren. Wie kijkt naar het aantal biologische varkenshouders ten opzichte van de niet-biologische collega’s, ziet een verklaring voor de hoge prijzen van biologisch varkensvlees: de biologische varkenshouders vertegenwoordigen minder dan 1 procent van het totaal aantal varkenshouders. Maar de sector groeit relatief snel. De Rabobank voorspelt een potentiële groei van 7 procent per jaar voor de biologische varkensteelt. Maar de praktijk is grillig. SKAL, het controleorgaan voor de biologische sector, registreerde in het eerste kwartaal van 2016 al tien nieuwe biologische varkenshouderijen. Dat zijn er evenveel als in heel 2015. Als die trend doorzet, belooft dat weinig goeds voor de prijzen.

De biologische varkenshouders vertegenwoordigen minder dan 1 procent van het totaal aantal varkenshouders

Toch kunnen niet heel veel reguliere varkenshouders zich een omschakeling naar biologische varkensteelt permitteren. Investeringen zijn voor rekening van de ondernemer zelf, en de Rabobank schat het aantal varkenshouders ‘met een krappe liquiditeit’ op 40 procent. Is een varkenshouder echter door het investeringsdal heen, dan is de beloning groot: biologische schouderkarbonades gaan bij de biologische slager voor €14,70 per kilo over de toonbank, terwijl niet-biologische exemplaren bij Albert Heijn al voor ongeveer €5,30 worden verkocht. De kosten in de biologische varkensteelt liggen weliswaar hoger dan in de reguliere varkenshouderij, maar niet hoog genoeg om dit enorme prijsverschil te verklaren. Daarover later meer.

Geen macht van retailers

Jeroen Neimeijer is blij dat de markt momenteel klein is. Hierdoor is het voor retailers in de sector niet interessant om echt macht uit te oefenen. Neimeijer: ‘Waar we als sector echt voor moeten waken, is dat we overproductie gaan creëren. Als dat gebeurt, daalt de prijs en kunnen we niet meer investeren. Het is zo verschrikkelijk belangrijk voor de sector om geld te reserveren, alleen dan kom je verder. Momenteel worden er tweeduizend biologische vleesvarkens per week geslacht. Als dat er tweeëneenhalf duizend worden, heb je een probleem.’

Het bedrijf van Nieske en Jeroen is aangesloten bij de biologische coöperatie De Groene Weg. Ieder kwartaal spreken de producenten in de keten een prijs af. Die staat dan voor twaalf weken vast en dat geeft de varkenshouder rust en zekerheid.

Een goed leven

De varkens van Jeroen en Nieske Neimeijer stappen zeven maanden na hun geboorte in de vrachtwagen voor een enkeltje slachthuis. Ze hebben dan geleefd in ruime stallen bedekt met stro in een groep van dertig stuks. Dag en nacht, zomer en winter kunnen ze naar buiten. De varkens hebben bijna twee keer zo veel ruimte als hun soortgenoten in reguliere varkenshouderijen. Ook hebben ze hun staarten mogen behouden.

Het bedrijf van Jeroen en Nieske is gesloten, wat betekent dat ze met de zeventig zeugen zelf hun vleesvarkens produceren. Andere bedrijven kopen biggen om ze op te kweken voor de slacht.

De biggen die geboren worden op het bedrijf van Jeroen en Nieske, zouden het aardig doen op de varkensmarkt voor open bedrijven: gespeende exemplaren van 25 kilo gaan voor een bedrag van tussen de 115 en 120 euro de deur uit. Dat is bijna de prijs die een reguliere varkenshouder voor zijn 120 kilo wegende vleesvarkens krijgt. Daar komt voor de biologische big echter het eten nog bij, en dat verklaart het grote kostenverschil tussen biologisch en niet-biologisch varkensvlees.

Een aantal jaar terug is de ontheffing voor biologisch veevoer opgeheven. Biologische varkenshouders moeten nu hun varkens biologisch geteeld voer voorschotelen. Dat voer is aanzienlijk duurder, omdat de vraag het aanbod overstijgt. Voor het dure biggenvoer moet 90 euro per honderd kilo worden afgerekend. Het voer voor de zeugen en vleesvarkens bedraagt ongeveer 35 euro per 100 kilogram. In de reguliere sector is dit ongeveer 23 euro voor 100 kilo mengvoer.

Bewegingsruimte

De goede prijzen bieden Jeroen en Nieske momenteel speelruimte om te experimenteren. Het biologisch houden van varkens brengt de nodige uitdagingen met zich mee, waarbij ze zich moeten houden aan de strenge regels om biologisch te mogen produceren. ‘De zeugen liggen niet vast tussen de stangen, ze kunnen dus gaan en staan waar ze willen. Dan kan het wel eens zo zijn dat een minder sterke big niet op tijd wegkomt als een zeug gaat liggen. Daarom willen we de biggen sterker maken. We hebben een man in Engeland gevonden die experimenteert met natuurlijke kruidenextracten en een soort natuurlijke Red Bull maakt. Er is geen bewijs voor, maar we zien dat het werkt bij onze biggen.’

‘We hebben een man in Engeland gevonden die een soort natuurlijke Red Bull maakt. Er is geen bewijs voor, maar we zien dat het werkt’ 

Er is ook een probleem met het aantal biggen dat een zeug voortbrengt. Biologische zeugen brengen twee tot drie weken langer door met hun biggen, waardoor hun baarmoeder meer tijd heeft om te herstellen. Hierdoor zijn ze vruchtbaarder en produceren ze meer biggen, die echter minder vitaal zijn. Dit is moeilijk bij te sturen zonder synthetische stoffen, melkpoeder in de voeding en antibioticagebruik, meent Jeroen Neimeijer. Een kleine big doet het later als vleesvarken ook minder goed. Hij wil daarom, compleet tegen de gedachte binnen de reguliere varkenssector in, juist minder biggen per keer hebben. ‘Momenteel produceren de zeugen zestien à zeventien biggen per worp. Wij willen er het liefst dertien of veertien hebben.’ De ‘uitval,’ de economische benaming voor sterfte, is in zijn bedrijf hoger dan in een reguliere varkenshouderij.

Neimeijer houdt zich alleen bezig met de biologische gedachte. Hij wil helemaal niet aan kostprijsreductie denken — laat dat maar aan de gangbare sector over. Veel liever probeert hij kringlopen te sluiten en restproducten zo goed mogelijk te hergebruiken. Zo zou het volgens hem winst zijn om weer diermeel te mogen voeren, wat na de uitbraak van BSE werd verboden. Verder heeft hij wel eens nagedacht over hoe hij zijn varkens op een andere manier van eiwitten kan voorzien. Momenteel komt de biologisch geteelde soja vooral uit China, maar Neimeijer denkt aan radicale alternatieven. ‘Ik kijk wel eens met een schuin oog naar de mogelijkheden van insecten en algen. Die zijn heel eiwitrijk. Het is een wilde gedachte, maar wie weet iets voor in de toekomst.’

De prijs kan nog hoger

Neimeijer ziet weinig kans om de kostprijs te verlagen. Het is volgens hem ook niet iets wat de sector zou moeten nastreven. Schaalvergroting, zoals in de reguliere sector, ziet hij ook liever niet. De grootste biologische varkenshouder is Alpeko. Dat bedrijf heeft in totaal vierhonderd zeugen en tweeduizend vleesvarkens, nog altijd veel minder dan in de niet-biologische teelt. ‘Het beeld van de consument moet kloppen. Die verwacht niet dat wij dieren op een fabrieksmatige manier houden. Ik kan me wel voorstellen dat er straks gradaties zijn binnen het biologisch keurmerk, met een apart kenmerk voor kleine bedrijven.’

Veel liever ziet Neimeijer meer samenwerking binnen de keten om de opbrengstprijs nog verder te verhogen. Bij De Groene Weg zijn de prijsafspraken niet alleen gunstig voor de varkenshouder. Iedereen in de productieketen verdient een fatsoenlijke boterham, een kernwaarde van de biologische leer. Die samenwerking zou hij graag willen uitbreiden, bijvoorbeeld op het gebied van de controle en regelgeving. ‘De supermarkten moeten aan allerlei eisen voldoen, net als de verpakker, transporteur, akkerbouwer en varkenshouder. Het zijn nu alleen veelal losse controles. Het zou mooi zijn als je daar een systeem van kunt maken. Dan zou je ook kunnen zeggen: “deze karbonade is geproduceerd met graan van dat specifieke bedrijf.” Die transparantie is op zich niet van doorslaggevend belang, maar je kunt dan wel de kwaliteit en het welzijn van het dier beter uitdragen. En Nederland kan zich ermee onderscheiden.’

‘Het beeld van de consument moet kloppen. Die verwacht niet dat wij dieren op een fabrieksmatige manier houden’

Regiegroep voor reguliere sector

Met de biologische varkensteelt gaat het (nog) goed, maar de niet-biologische collega’s van Jeroen en Nieske zitten in een diepe crisis. Veel varkenshouders kunnen de voerleveranciers niet betalen vanwege de lage prijzen. Reden voor de vakbond van de varkenshouders, de POV (Producenten Organisatie Varkenshouderij), om samen met het ministerie van Economische Zaken en de Rabobank met een plan te komen om de sector uit het slop te trekken. De regiegroep Vitale Varkenshouderij, onder leiding van oud-minister Uri Rosenthal, komt ‘over enkele weken of maanden’ met een actieplan. Wat het plan inhoudt is nog niet bekend, maar het lijkt aan te sturen op betere samenwerking in de keten.

Omschakelen van gangbaar naar biologisch produceren zou een oplossing kunnen zijn, maar het betekent een flinke investering. In het geval van Jeroen en Nieske moesten de vloeren dichtgestort worden, de hokken opengebroken en extra buitenruimte toegevoegd. De oude kraamstal bleek niet geschikt, gezien het beperkte aantal vierkante meters. Deze werd omgetoverd tot biggenstal, en de voormalige dekstal werd de kraamstal. Daarnaast is er de omslagperiode, waarin er al wel volgens de biologische regels wordt geproduceerd maar het lucratieve stempel nog niet gevoerd mag worden. Voor varkenshouders bedraagt deze periode zes maanden. Al met al kwamen de kosten voor het omschakelen in het geval van de Neimeijers uit op een bedrag rond de 500.000 euro.

Dat bedrag krijg je niet zomaar bij de Rabobank, de grootste financier van agrarische bedrijven. Varkenshouders moeten een waterdicht businessplan meebrengen en bereid zijn met meerdere spelers binnen de keten afspraken te maken. Volgens Koen van Bergen, sectormanager bij de Rabobank, blijft de biologische varkenshouderij daarom voorlopig klein. ‘Met een groeiverwachting van rond de zeven procent kom je nog steeds op een beperkt aantal extra bedrijven uit. Momenteel worden er per jaar 95.000 tot 100.000 biologische vleesvarkens geslacht. Er is ruimte voor vijfduizend extra varkens. Dat komt dan neer op zes of zeven bedrijven per jaar.’

Varkenshouders moeten een waterdicht businessplan meebrengen en bereid zijn om afspraken te maken

Rabobank rekent met een standaard bedrijfsformaat van 1000 vleesvarkens en 100 zeugen. Biologische varkensbedrijven zijn echter vaak kleiner. Van de tien bedrijven die zich dit jaar hebben geregistreerd bij SKAL, zijn er al vier in productie. Die vier bedrijven hebben gezamenlijk echter niet meer dan 681 vleesvarkens en 289 zeugen.

 

Geen prijsdaling verwacht

De markt voor biologisch vlees blijft dus voorlopig marginaal. Het aanbod neemt niet enorm toe, en datzelfde geldt voor de vraag. De Rabobank verwacht dan ook niet dat de prijs van biologisch varkensvlees veel zal dalen, wat toch voor veel consumenten het grootste obstakel is. De biologische varkenshouders trekken zich daar overigens weinig van aan. Neimeijer draait de redenering op een Cruijffiaanse wijze om: ‘Biologisch vlees is niet duur, het normale eten is gewoon te goedkoop.’

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Sem van den Brink
Schrijft voor Follow the Money over Wageningen en alles wat daarmee te maken heeft.