© Wikimedia Commons

Zelfs de Albert Cuyp is geen vrije markt

    Rechts wil meer markt, links meer overheidsingrijpen. Het wordt hoog tijd dat we dit soort stereotypen verlaten, schrijft S. de Beter. We moeten wezenlijke discussies gaan voeren over geschikte combinaties van centrale en decentrale besluitvorming. Alleen zo kunnen we stappen zetten om het marktmechanisme naar behoren te laten functioneren.

    Zwart-wit, links-rechts, ja-nee, voor-tegen, licht-donker, yin-yang, et cetera. Wij lijken ons vaak te beperken tot twee alternatieven die lijnrecht tegenover elkaar staan. Zo ook bij bij discussies over de inrichting van de economie: je bent tegen of voor overheidsingrijpen, dus voor of tegen ruim baan voor het marktmechanisme. Het is veel moeilijker om te praten over de meest geschikte combinatie van markt en overheid.

    Aan de economische wetenschap heb je op dit punt weinig. Integendeel, zij wakkert dit vuurtjehet tegenover elkaar plaatsen van markt en overheid — nog eens flink aan. Haar dominante uitgangspunt is dat de vrije markt het superieure coördinatiemechanisme is, en dat overheidsingrijpen alleen gerechtvaardigd is als er sprake is van ‘marktfalen,’ zoals bijvoorbeeld bij monopolies of externe effecten.

    Laat u niets wijsmaken. Zoals er geen perfecte mensen zijn, zo zijn er evenmin perfecte markten — die bestaan alleen in neoklassieke economische modellen. Maar ze kunnen wél bijna perfect worden gemaakt, als ze op een slimme manier worden gereguleerd door een of andere vorm van centraal gezag — en dat hoeft niet per se de overheid te zijn. Dit zal ik illustreren aan de hand van drie voorbeelden, waarbij ik tevens betoog dat economen bij het zoeken naar de meeste geschikte combinatie van centrale en decentrale coördinatie vooral een sta-in-de-weg zijn.

    De onderneming als centraal geleide economie

    Dat het kiezen tussen de extremen ‘markt’ en ‘overheid’ eigenlijk heel raar is, wordt vooral duidelijk door te kijken naar de manier waarop ondernemingen worden bestuurd. Een directeur van een onderneming staat in feite aan het hoofd van een centraal geleide mini-economie. Sterker nog, qua (nationaal) product zijn enkele concerns groter dan een hoop landen — in 2015 waren 69 van de 100 grootste economieën ter wereld geen overheden maar bedrijven.

    Zoals Nobelprijswinnaar Ronald Coase al benadrukte in zijn allereerste artikel (1937) over transactiekosten — door niet-economen meestal aangeduid als coördinatiekosten — zullen werknemers intern niet overstappen naar een andere afdeling omdat ze daar een hoger loon kunnen verdienen. Nee, ze worden overgeplaatst op gezag van de ondernemingsleiding, omdat ze daar een grotere bijdrage kunnen leveren aan het realiseren van de ondernemingsdoelstellingen.

    In 2015 waren 69 van de 100 grootste economieën ter wereld geen overheden maar bedrijven

    Zeker binnen grote ondernemingen wordt naast de hiërarchische gezagsstructuur vaak tevens een milde vorm van marktmechanisme gehanteerd, bijvoorbeeld door bepaalde afdelingen een groter investeringsbudget te geven naarmate zij een hoger rendement behalen of door allerlei vormen van prestatiebeloning te hanteren. Al die marktelementen zijn echter onderdeel van de centraal geleide economie, en kunnen selectief worden toegepast. Blijken ze verkeerd uit te pakken voor de onderneming als geheel (of voor de ondernemingsleiding, wat niet hetzelfde is), dan kunnen ze worden bijgesteld of helemaal buiten werking worden gezet. Dit illustreert dat het marktmechanisme alleen goed werkt als er centrale regels zijn, die bovendien aangepast kunnen worden als de resultaten tegenvallen. Dat betekent echter niet dat die aanpassing ook altijd daadwerkelijk plaatsvindt.

    Langetermijncontracten

    Zeker in het verleden kwam het vaak voor dat ondernemers de gehele bedrijfskolom in handen wilden hebben. Denk bijvoorbeeld aan oliemaatschappijen die streefden naar beheer over de totale keten, van put tot pomp. De achterliggende gedachte: als je de hele keten in handen hebt, hoef je alleen rekening te houden met de klanten en de concurrenten (en de overheid als die vervelende regels wil opleggen). De interne coördinatiekosten van deze ondernemingen werden echter zo hoog dat ze hun transacties in toenemende mate via de externe markt gingen afwikkelen. Economen spreken hier van verticale desintegratie: in plaats van bepaalde inputs zelf te maken, laten de concerns deze door andere bedrijven — toeleveranciers — verzorgen.

    Wie net als de meeste neoklassieke macro-economen denkt dat ondernemers voortdurend op zoek zijn naar de toeleveranciers met de laagste prijs, vergist zich. Deze handelwijze zullen ze alleen toepassen bij de kleine categorie standaardproducten die in alle opzichten gelijk zijn — behalve de prijs. In de meerderheid van de gevallen worden langetermijncontracten afgesloten die worden gekenmerkt door een combinatie van markt- en hiërarchische elementen, oftewel: van decentrale en centrale besluitvorming. Bij beslissingen over uitbesteding tellen dus niet alleen de prijzen die de toeleveranciers in rekening brengen.Ook de coördinatiekosten die nodig zijn om de externe en de interne productie voor de wat langere termijn op elkaar af te stemmen, inclusief de wederzijdse investeringen die daarvoor nodig zijn, spelen een belangrijke rol.

    Bedenk dat er geen CPB of andere club van geleerde economen wordt ingeschakeld om deze coördinatieprocessen binnen en tussen ondernemingen in te richten en zo nodig aan te passen. Hier regeren simpelweg gezond verstand en trial and error. Weliswaar zijn er met de komst van de bedrijfskunde inmiddels allerlei academici in het bedrijfsleven terecht terecht gekomen — dan wel als werknemer, dan wel via consultancybureaus — die verkondigen dat gezond verstand niet voldoende is om de ondernemingsdoelen te realiseren, maar hebben we door hun komst betere bedrijven gekregen? Ik heb mijn twijfels, om het voorzichtig uit te drukken.

    Warenmarkt

    Gaan we van de centraal geleide mini-economie die onderneming heet naar het andere uiteinde van het spectrum, dan komen we terecht bij de markten voor groenten, fruit, kleding en dergelijke. Deze zogeheten warenmarkten lijken behoorlijk op de perfecte markt zoals de economen die graag zien: iedereen kan er boodschappen doen en in principe kan iedereen er een standplaats huren. Er zijn, met andere woorden, veel vragers en veel aanbieders — en vrijwel geen toetredingsdrempels.

    Desondanks kun je niet bij economen terecht als je wilt weten hoe zo’n perfecte markt in de praktijk functioneert. Die halen namelijk vaak hun neus op voor alledaagse economische fenomenen. Wellicht omdat ze alleen met wiskundige modellen en regressie-analyses overweg kunnen, en niet met echt empirisch onderzoek? Voor veldonderzoek heb je meer aan antropologen zoals Clifford Geertz, die de lokale markten in Marokko heeft onderzocht, of Joris Luyendijk, met zijn studie over de City in Londen.

    "De warenmarkt kan wellicht als een vrij perfecte markt worden gezien, maar zeker niet als een vrije markt"

    De warenmarkt kan wellicht als een vrij perfecte markt worden gezien, maar zeker niet als een vrije markt. De warenmarkt kent, zeker de laatste jaren, een bloeiend bestaan — maar dit heeft juist alles te maken met het feit dat deze markt in sterke mate gereguleerd is. Iedere warenmarkt is onderworpen aan een gemeentelijk marktreglement. Bovendien vindt er indirecte regulering plaats via diverse commissies waarin zowel marktkooplieden als gemeenteambtenaren zitting hebben. Een voorbeeld is de sollicitatiecommissie, waar nieuwe kandidaten zich moeten melden voor een standplaats en moeten aantonen dat hun aanbod voldoende toegevoegde waarde heeft voor de markt als geheel. Daarnaast zijn er marktmeesters, die op diverse fronten de boel in de gaten houden en eventueel corrigerend kunnen optreden. 

    Je moet er niet aan denken dat er onbeperkte toegang zou zijn voor marktkooplieden. Stel je voor: binnen de kortste keren zou er een overaanbod komen, met een moordende concurrentie tot gevolg. Dat lijkt op korte termijn misschien goed voor de consument, die immers kan profiteren van dalende prijzen. Op de wat langere termijn zullen de meeste marktkooplui echter hun biezen moeten pakken. Zij die dan overblijven zijn niet noodzakelijkerwijs de beste of goedkoopste aanbieders — zoals economen altijd veronderstellen doch nooit onderzoeken — maar de marktkooplui met de meeste financiële reserves, de minste alternatieve inkomstenbronnen, of met de grootste oogkleppen.

    Je moet er echter ook niet aan denken dat je eerst economie gestudeerd moet hebben om marktmeester te kunnen worden. Belangrijker dan academische kennis, die waarschijnlijk eerder averechts uitpakt, is het voor marktmeesters dat ze over voldoende moreel besef beschikken zodat ze zich niet laten omkopen — zoals in Amsterdam bijvoorbeeld is gebeurd.

    Energiewende

    Naast een praktische vorm van regulering is er ook creativiteit nodig om het marktmechanisme goed te laten functioneren. Dat kan ik illustreren aan de hand van mijn derde voorbeeld: het Duitse energiebeleid. Vanaf 2000 besloot de Duitse overheid om minder afhankelijk te worden van kernenergie, door wind-, zonne- en andere groene energie flink te stimuleren. Zij richtte zich daarbij in eerste instantie vooral op boeren en tuinders als nieuwe energieproducenten. Om deze Energiewende te realiseren, hanteerde de regering een paar simpele principes die ongetwijfeld niet door economen waren bedacht. 

    De Duitse regering hanteerde een paar simpele principes die ongetwijfeld niet door economen waren bedacht

    Neem bijvoorbeeld de zogeheten afzetgarantie: het regionale elektriciteitsbedrijf neemt alle geproduceerde groene stroom af. Verder krijgen de boeren en tuinders een vaste afzetprijs die twintig jaar wordt gegarandeerd. De nieuwe energieproducenten kunnen op deze manier heel makkelijk uitrekenen of het financieel aantrekkelijk is om zonnepanelen te plaatsen of windmolens te laten bouwen.

    Naarmate meer boeren groene stroom produceren, zal de dagprijs voor groene energie dalen — zoals je mag verwachten bij meer aanbod en een gelijkblijvende vraag. De lagere dagprijs geldt niet voor de agrariërs die al zijn overgestapt, maar alleen voor degenen die op die dag instappen. Voor de achterlopers, zoals ze in de innovatietheorie van Rogers worden genoemd, is de lagere garantieprijs echter niet per se een obstakel. Dit omdat ze kunnen profiteren van leereffecten en lagere investeringskosten — denk aan de enorme prijsdaling bij zonnepanelen.

    Duitse aanpak

    Natuurlijk kan men tegenwerpen dat deze Energiewendede de Duitse burger heel veel geld heeft gekost, want de hogere prijzen voor de boeren en andere producenten werden doorberekend aan de consumenten. En inderdaad: de stijging van de energieprijzen was bij de oosterburen maar liefst 92% in de periode 2000-2014. Maar in dezelfde periode stegen de Nederlandse energieprijzen met 130 procent — bijna anderhalf keer zoveel!

    Bovendien was de Duitse aanpak een stuk effectiever: in 2015 kon 14 procent van de Duitse energieproductie als duurzaam worden bestempeld, heel wat meer dan de schamele 6 procent van Nederland. Vergeet ook niet dat vooral de boeren hebben geprofiteerd van de Energiewende, en dat deze beroepsgroep in Nederland op andere manieren financieel wordt ondersteund. Kortom, door een slim marktmechanisme te construeren hebben de Duitsers veel meer bereikt dan de Nederlandse overheid met haar bureaucratische zwabberbeleid.

    Het is moeilijk uit te rekenen, maar het zou mij niet verbazen als de kosten die gemoeid zijn met het bedenken, uitvoeren en evalueren van al die Nederlandse stimuleringsregelingen, vele malen hoger zijn dan in Duitsland het geval is. Neem alleen het feit dat de meeste subsidieregelingen in Nederland dermate ingewikkeld zijn dat bedrijven vaak een dure subsidieadviseur moeten inschakelen. Dit soort economische transactiekosten wordt vrijwel altijd buiten beschouwing gelaten als energiemaatregelen worden geëvalueerd.

    Een sprekend voorbeeld wordt geboden door het SEO-rapport, dat — mede om die reden — veel te positief is over het Nederlandse energiebeleid. Weliswaar wordt in het rapport gesproken over administratieve lasten voor burgers en bedrijven, maar nergens valt na te lezen hoe deze worden berekend — en hoe dan ook zijn deze lasten slechts het topje van de transactiekosten-ijsberg. Bovendien wordt nergens een vergelijking gemaakt met de aanpak die andere landen hanteren om dezelfde doelstellingen te realiseren.

    De overheid als tuinman

    De conclusie is duidelijk: verstandig gebruik van het marktmechanisme — zoals bij het Duitse beleid voor de transitie naar groene energie — is effectiever en zorgt voor minder transactiekosten dan bij bureaucratische overheidsmaatregelen meestal het geval is. Maar deze superieure eigenschap van het marktmechanisme geldt alleen doordat een centrale instantie — in de vorm van de overheid of anderszins — de spelregels heeft vastgesteld. Anders gezegd: met minimale centrale sturing kunnen de voordelen van decentrale coördinatie maximaal worden benut.

    Met minimale centrale sturing kunnen de voordelen van decentrale coördinatie maximaal worden benut

    De overheid moet een voorbeeld nemen aan de betere tuinman. Deze maakt zoveel mogelijk gebruik van de kracht, inventiviteit en weerstandsvermogen van de natuur, en komt alleen in actie als sommige planten te dominant worden, de tuin extra voedingsstoffen nodig heeft, of wanneer hij andere accenten wil aanbrengen in de tuin.

    Ben ik nu een liberale econoom die pleit voor een minimale overheid? Inderdaad, want persoonlijke vrijheid staat hoog in mijn vaandel en ik heb veel vertrouwen in de creativiteit en ‘persoonlijke kennis’ van gewone mensen. Op het gevaar af dat linkse mensen nu walgend de blik van het scherm afwenden, wil ik de lezer aanraden eens goed kennis te nemen van een mooi artikel van Friedrich Hayek over de wijze waarop het prijsmechanisme functioneert, al legt hij hier te weinig nadruk op de benodigde spelregels. Voor degenen die een ‘autoriteit’ nodig hebben om hun vooroordelen opzij te zetten, wil ik verwijzen naar wat Ewald Engelen over Hayek schreef.

    Juist omdat ik veel waarde hecht aan een regulerende overheid, pleit ik voor een kleine en krachtige overheid. Elke uitbreiding van de overheidsbureaucratie die door de burger — en vaak met recht — als contraproductief en overbodig wordt beschouwd, ondermijnt op den duur het morele en politieke gezag van de overheid.

    Wedijver in de collectieve sector

    Je zou mij zelfs een ultra-liberale econoom kunnen noemen, want ik wil niet alleen wedijver in de particuliere sector maar ook in de collectieve sector. Dan bedoel ik niet de privatisering die vanaf eind jaren ’80 heeft plaatsgevonden in de gezondheidszorg, het openbaar vervoer en op tal van andere maatschappelijke terreinen — die privatisering werd namelijk gecombineerd met deregulering. Het marktmechanisme functioneert juist beter als het is ingebed in een slim systeem van centrale regelgeving, en als morele waarden en maatschappelijke principes voorrang krijgen boven financiële belangen en vormen van bureaucratische efficiëntie die alleen door ‘experts’ kunnen worden vastgesteld.

    Ik gebruik met opzet de term ‘wedijver,’ want ik wil geen gevecht van leven op dood, zoals bij (moordende) concurrentie het geval is, maar een sportieve krachtmeting met als doel jezelf en je concurrenten beter te maken.

    "Het marktmechanisme functioneert juist beter als het is ingebed in een slim systeem van centrale regelgeving"

    Diversiteit en wedijver zijn tot dusver een schaars goed in de collectieve sector. Waarom is er bijvoorbeeld maar één UWV waar werklozen terecht kunnen voor hun uitkering en voor hulp bij het zoeken naar een nieuwe baan? Waarom niet twee of drie UWV’s, die op dit terrein dezelfde doelstellingen via andere wegen proberen te realiseren?

    Het gaat er niet om dat de beste wint en de ‘verliezers’ het veld moeten ruimen, want dan komen we — tenzij er nog meer nieuwe organisaties worden opgericht — weer in een monopoliepositie terecht. Sommige categorieën werklozen hebben wellicht meer aan de manier waarop UWV-A werkt, terwijl anderen beter terecht komen bij UWV-B. Ook bij collectieve voorzieningen geldt: wat goed is voor de een, kan voor de ander veel minder geschikt zijn.

    Schaalvoordelen

    En kom nu niet aan met het argument dat er schaalvoordelen verloren gaan als dat ene UWV wordt vervangen door twee of drie UWV’tjes. Schaalvoordelen — voor zover aangetoond, want ook hier geldt: vaak verondersteld doch nauwelijks daadwerkelijk onderzocht — kunnen op verschillende manieren worden gerealiseerd. En aangezien in iedere organisatie of branche uiteenlopende taken en activiteiten worden uitgevoerd, staan tegenover schaalvoordelen bij de ene taak vrijwel altijd schaalnadelen bij de andere. Bovendien worden mogelijke schaalvoordelen in de operationele sfeer vaak tenietgedaan door stijgende coördinatiekosten.

    Kijk naar Buurtzorg NL of de Zweedse Handelsbanken, die een superklein hoofdkantoor hebben. Vrijwel alle activiteiten — zoals marketing, personeelsbeleid en kwaliteitsbeleid — die bij hun concurrenten op centraal niveau zijn ondergebracht, worden hier overgelaten aan de afzonderlijke thuiszorgteams respectievelijk bankkantoren. Wat Hayek zegt over decentrale besluitvorming op de markt, is in wezen hetzelfde als maximale regelcapaciteit voor de mensen die binnen een organisatie het eigenlijke werk moeten doen. In beide gevallen geldt dat de ‘persoonlijke kennis’ op decentraal niveau voorrang krijgt boven de ‘academische kennis’ op centraal niveau. En in beide gevallen kan die aanpak alleen goed uitpakken wanneer op centraal niveau simpele en rechtvaardige spelregels worden gehanteerd. 

    Zo kan het ook

    Als markten goed zijn georganiseerd, wordt recht gedaan aan twee principes die op het eerste gezicht tegenstrijdig lijken: iedereen is gelijk, en de betere spelers moeten zich kunnen onderscheiden van de mindere. Handelsbanken laat zien dat je deze twee principes ook binnen de onderneming kunt toepassen. Als de onderneming als geheel aan de gestelde normen voldoet, zullen alle personeelsleden — van directeur tot assistent — daarvan profiteren. Iedereen ontvangt dan namelijk dezelfde ‘bonus,’ in de vorm van aandelen in het overkoepelende concern. Die aandelen worden in een aparte stichting ondergebracht en bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd aan werknemers uitgekeerd. De normen hebben betrekking op de drie prestatie-indicatoren die door Handelsbanken worden gehanteerd: de door een extern bureau gemeten klanttevredenheid, het financiële resultaat en het percentage veilige leningen.

    Het beste kantoor krijgt het volgende jaar een kunstmatige achterstand, zodat het nog harder zijn best doet

    Deze indicatoren worden ook gebruikt in de jaarlijkse wedstrijd om te bepalen welke individuele bankkantoren het beste presteren. De winnaars krijgen alleen de eer — geen geldbedrag. Integendeel, het winnende kantoor krijgt het daaropvolgende jaar een kunstmatige achterstand, zodat het nog meer zijn best moet doen om de eerste plaats te kunnen prolongeren. Een vergelijkbare vuistregel is dat bankkantoren die ondermaats presteren, eerst worden gecoacht door het hoofd- of regiokantoor. Pas als dat ook te weinig verbetering oplevert, wordt het desbetreffende kantoor gesloten.

    Banken en thuiszorgorganisaties krijgen de laatste jaren veel kritiek, ook op de manier waarop ze met hun personeel omspringen. Handelsbanken en Buurtzorg NL laten zien dat het ook heel anders kan. Ik zal u niet vermoeien met de financiële cijfers die aantonen dat hun aanpak betere resultaten oplevert. U kunt beter zelf op onderzoek uitgaan, bijvoorbeeld door te praten met mensen die hun loopbaan bij Handelsbanken of Buurtzorg NL hebben voortgezet — en die dus een vergelijking met hun vorige werkgever kunnen maken. En mocht u, of iemand uit uw netwerk, binnenkort een hypotheeklening of thuiszorg nodig hebben, dan kunt u zelf nagaan of hun aanpak ook voor de klant goed uitpakt.

    Een iets gewijzigde versie van dit stuk wordt gepubliceerd op www.eco-simpel.nl.

    Over de auteur

    S. de Beter

    S. de Beter is niet mijn echte naam. Ik koos voor een pseudoniem om de kans te vergroten dat mijn schrijfsels op waarde worde...

    Lees meer

    Volg deze columnist

    Dit artikel krijg je cadeau van Follow the Money.

    Diepgravende onderzoeksjournalistiek kost tijd en geld. Steun ons en

    word lid