Zoutbron van Nedmag in Veendam.
© Nedmag

Groningen

Zout is werk en banen gaan in Groningen voor alles

2
Groningen

    Ook jouw gemeente krijgt steeds meer taken en dus meer macht. Daarom gaat FTM lokaal.

    Zoutwinning en de overheid zijn in Groningen innig met elkaar verstrengeld. Ondanks bezorgdheid over de schade die het kan veroorzaken, is er de overheid veel aan gelegen de zoutwinner overeind te houden. Zout uit de Groningse grond levert banen op, is de redenering. Maar hoeveel werk kan de schade wegstrepen?

    Dit stuk in 1 minuut

    Waar gaat dit over?

    • Na Duitsland is Nederland de grootste zoutproducent van Europa. Het grootste deel van dat zout komt uit de bodem in Twente en Noordoost-Groningen, met kleinere zoutwinningsgebieden in het westen van Friesland.

    • Zoutwinning is niet zonder risico’s. Het leidt tot bodemdaling en het gewonnen zout laat cavernes achter, sommige zo groot als een voetbalstadion. Wanneer die instorten, verzakt de bodem. Afhankelijk van de vorm van kunnen enorme sinkholes ontstaan.

    • Op de grens van Groningen en Drenthe wint het bedrijf Nedmag magnesiumzout. Die winning is van meet af aan omstreden geweest. Omwonenden ondervinden schade als gevolg van bodemdaling en verzakkingen.

    Waarom moet ik dit lezen?

    • Zoutwinning is lang het ondergeschoven kindje geweest van de gaswinning. De negatieve gevolgen zijn daarom lang gebagatelliseerd of goedgepraat onder het mom van werkgelegenheid.

    • In Groningen zijn de banden tussen overheid en zoutwinner warm. Driekwart van de inkomsten uit dividend van de NOM, een investeringsvehikel van het Rijk en de noordelijke provincies, komt van Nedmag uit Veendam.

    Hoe heeft Follow the Money dit onderzocht?

    • Dit onderzoek naar de gevolgen van zoutwinning in de provincie Groningen is het winnende onderwerp van de pitchwedstrijd #noordoostpitch, waarin Follow the Money, RTV Noord, RTV Drenthe, Omrop Fryslân en RTV Oost samenwerken. Het publiek van de regionale omroepen en Follow the Money kon onderzoeksideeën pitchen en stemmen op de favoriete onderwerpen. Daarmee bepaalden zij welk onderwerp wij samen met de regionale omroepen onder de loep gingen leggen. 

    • De regionale omroepen van Noord- en Oost-Nederland besteden deze week extra aandacht aan de zoutwinning in hun provincie.

    Lees verder

    ‘Ik heb wel een stuk onzekerheid. Dat zeg ik ook tegen mijn personeel.’ Zittend aan een grote vergadertafel trekt Bert Jan Bruning, directeur van zoutbedrijf Nedmag, een serieus gezicht. Het zijn dan ook bewogen tijden voor het Veendamse bedrijf. Gespannen wacht de directie op het besluit over het ingediende winningsplan. Die herziening was nodig omdat er vorig jaar in april onverwachts een lek in het dak van een zoutcaverne bij Tripscompagnie ontstond. Miljoenen liters pekel en dieselolie lekten weg, waardoor de maximaal toegestane bodemdaling van 50 centimeter op sommige plekken met ruim 20 centimeter zal worden overschreden. Het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) eiste een nieuw plan om de veiligheid van de winning te kunnen controleren.

    De goedkeuring van het winningsplan is cruciaal voor het voortbestaan van Nedmag. Zowel de Technische commissie bodembeweging (Tcbb) en het SodM, als de decentrale overheden (onder andere de provincie Groningen, de betrokken gemeenten en de waterschappen) zijn gevraagd er advies over uit te brengen. Op basis van dit geheel schrijft het ministerie van Economische Zaken een zogenaamd ontwerp-instemmingsbesluit, waarop alle betrokkenen, ook omwonenden of bedrijven, zienswijzen mogen indienen. Deze weegt het ministerie mee in het uiteindelijke oordeel. Dat wordt pas volgend jaar verwacht. 

    Bert Jan Bruning, directeur Nedmag

    "Het ministerie kan ook zeggen: We willen af van die discussie, dan maar helemaal geen zout meer"

    Als het ministerie groen licht geeft voor het plan kan Nedmag doorgaan met het winnen van magnesiumzout onder de bodem van Veendam en omgeving, nabij de grens van Groningen en Drenthe. In alle andere gevallen moet het bedrijf de putten geleidelijk verlaten, het zogeheten abandonneren, en moet het uiteindelijk de fabriek sluiten. Bruning: ‘Het is niet meer zo dat alleen de feiten spreken. We zijn onderdeel van een maatschappelijk vraagstuk, daar worden ook dingen als boosheid in meegewogen. Dus het kan ook zijn dat ze zeggen: ‘We willen af van die discussie, dan maar helemaal geen zout meer’.’

    Jakoba Gräper hangt in dat geval de vlag uit. Haar bewonersgroep Borgercompagnie verzet zich al jaren tegen de zoutwinning in hun spreekwoordelijke achtertuin. In haar zoektocht naar argumenten tegen de zoutwinning, stuitte Gräper op opmerkelijke feiten. Zo is het zoutbedrijf sinds de oprichting in de jaren zeventig, elke keer als het in zwaar weer verkeerde, steeds er bovenop geholpen. Daarbij had de overheid door middel van de Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij (NOM) vaak een vinger in de pap. Maar hoe dat nou precies zit? Gräper stelde in haar winnende pitch, die we samen met de regionale omroepen van Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel organiseerden, voor om uit te zoeken hoe de verwevenheid tussen Nedmag en de NOM in elkaar steekt. 

    Jakoba Gräper. Foto: Martijn Folkers

    Op het eerste oog is dat simpel: de NOM is voor 50 procent aandeelhouder van de zoutwinner. De andere 50 procent is in handen van het Belgische Lhoist, een internationaal opererende producent en verkoper van kalk, gebluste kalk, dolomiet en technische kalk-applicaties. Deze constellatie bestaat echter pas sinds 2008. Tussen 1994-2008 was eerst 10 procent van de aandelen in handen van het management. Daarna werd dat steeds minder. Voor die tijd was het bedrijf, dat toen nog Billiton heette, eerst deels en later volledig in handen van Shell, het oliebedrijf dat naast de Groninger gasbel ook het zout in de regio had ontdekt. De overheid speelde ook in de jaren zeventig al een rol als aandeelhouder. Om de verstrengeling tussen Rijk en zoutbedrijf te onderzoeken, is Follow the Money daarom dieper in de bedrijfsgeschiedenis gedoken.

    Strokartonfabriek weg, zoutwinner erin

    Al in de beginfase van de zoutwinning in Groningen was de overheid er nauw bij betrokken. Nadat het ministerie van Economische Zaken (EZ) in 1969 aan Shell Delfstoffen Nederland de vergunning had verleend voor proefboringen, vindt dat bedrijf vrij snel zout in Borgercompagnie, een dorpje in de gemeente Veendam. Het onderzoek naar zout richt zich vanaf dat moment op dat gebied. In 1975 vraagt Shell-dochter Billiton Delfstoffen een concessie aan. In 1977 wordt hiervoor de Noordelijke Zoutwinning B.V. opgericht, waarin Shell-dochter Billiton en de staat door middel van de dan nog maar drie jaar oude NOM deelnamen. 

    Het noorden kampte op dat moment met verlies van werkgelegenheid. Vanaf eind jaren zestig sloten steeds meer strokartonfabrieken hun deuren en ook scheepswerven hadden het moeilijk. Tot dan belangrijke werkgevers in het gebied. Mede door de oliecrisis in 1973 komt de industriële ontwikkeling in het noorden tot stilstand. Elke kans op nieuwe activiteit die voor banen kon zorgen, werd met beide handen aangegrepen. De NOM kreeg daarin als durf-investeerder een belangrijke rol. 

    Uit archiefstukken blijkt dat de zoutproductie in Veendam vanaf het begin een risicovolle onderneming was. De staalindustrie, waarvoor de fabriek vuurvast materiaal uit het gewonnen magnesiumoxide zou maken, draaide eind jaren zeventig al niet goed en er was een mondiale overproductie van vuurvast materiaal. Desondanks dacht Shell-Billiton de markt te kunnen veroveren. Samen met de Noorse metaalfabrikant Norsk Hydro wilde de oliereus aanvankelijk ook een magnesiummetaalfabriek in Delfzijl realiseren, waar het gewonnen magnesiumzout bewerkt kon worden tot metaal. Norsk Hydro trok zich echter nog voor de concessieverlening terug, omdat de energieprijzen te hoog bleken om rendabel te kunnen produceren. De magnesiummetaalfabriek was daarmee van de baan. Desondanks gingen de plannen voor de concessie door.

    Tijdlijn

    Oktober 1969

    Minister van EZ verleent toestemming voor proefboringen om na ‘indampingszouten’ te zoeken.

    Juli 1972

    Magnesiumzout wordt gevonden bij Veendam.

    Vanaf augustus 1972

    Shell-Billiton produceert magnesiumpekel.

    December 1973

    Vergunningsgebied wordt teruggebracht van 533 duizend hectaren tot ongeveer 35 duizend hectaren. Friesland valt daarmee buiten concessieaanvraag.

    1974

    Oprichting Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij (NOM) door ministerie van EZ.

    1975

    Shell-Billiton vraagt concessie aan voor magnesiumzoutwinning in het gebied rondom Veendam, Oost-Groningen en delen van Drenthe.

    1980

    EZ verleent concessie aan Shell-Billiton, NOM is voor 50% aandeelhouder.

    1983

    Ministerie van EZ beëindigt staatsdeelneming vanwege tegenvallende resultaten. De NOM stapt uit het bedrijf.

    1994

    Billiton wordt overgenomen door het Belgische Lhoist, de NOM en de directie van het bedrijf, de naam verandert in Nedmag Industries Mining and Manufacturing BV.

    2000

    Bodemdaling door zoutwinning voor het eerst in het nieuws in het Dagblad van het Noorden: Nedmag onderkent bodemdaling, maar verwacht geen schade aan huizen.

    2004

    Bewoners dienen schadeclaim in bij Nedmag voor schade door verzakking.

    2010

    Bewoners mogen eerder afgewezen schadeclaim opnieuw indienen.

    2011

    Nedmag en Tcbb sturen brief naar bewoners dat schade niet veroorzaakt is door bodemdaling/zoutwinning, de claim wordt opnieuw afgewezen.

    April 2018

    Scheur in zoutdak bij winningslocatie Tripscompagnie/Veendam, Miljoenen liters pekel en dieselolie verdwijnen in de grond.

    November 2018

    Nedmag dient nieuw winningsplan in.

    Toen al zorgen over zoutwinning

    Dat terwijl de zoutwinning vanaf het begin in de regio omstreden was. Direct na de concessie-aanvraag door Billiton uitten verschillende instanties bezwaren. In totaal moesten Billiton en EZ zestien bezwaarschriften beantwoorden. Zo maakten bijvoorbeeld de waterschappen Reiderzijlvest, Oldambt, de Waterleidingmaatschappij van de provincies Groningen en Drenthe, en de gemeente Groningen zich zorgen over het gebruik van grondwater en aan- en afvoer van (afval-)water. Zij eisten dat geen grondwater gebruikt mocht worden voor de zoutwinning. Ook wilden zij meer onderzoek naar eventuele bodemdaling en meer zekerheid of de ‘concessionaris garant staat voor betaling van alle schade welke aan anderen wordt toegebracht en die in verband staat met het gebruikmaken van de concessie’. Bovendien vonden ze de uitleg over het verlaten van de putten te summier. Ze vonden in het plan geen duidelijkheid over hoe de druk in de cavernes gegarandeerd kon worden om inzinking te voorkomen. 

    De NAM en Akzo maakten bezwaar omdat ze vreesden voor hun eigen concessiegebieden. De provinciale planologische dienst van Groningen eiste betere meetpunten voor bodemdaling, duidelijke criteria voor geluidshinder en meer zeggenschap voor de provincie. Ook de provincie Groningen zelf eiste meer zeggenschap. Daarbij wilde de provincie, net als bijna alle bezwaarmakers, het gebied voor de vergunning inkrimpen. Bijna alle bezwaarmakers repten bovendien over gebrekkige informatie en slecht uitgewerkte plannen, wat de minister van Verkeer en Waterstaat ertoe bracht eerst meer uitleg te eisen van het ministerie van EZ over bodemdaling en de waterstand voordat hij de concessieaanvraag kon goedkeuren.

    Als de overheid al stiekem had gehoopt op een melkkoe à la Gronings gas, dan kwam ze bedrogen uit

    Als reactie op al deze kritiek werd het gebied inderdaad ingekrompen en beloofde EZ de gevolgen goed in de gaten te houden. De staat kon echter de zoutwinning niet zelf uitvoeren, omdat er te weinig kennis aanwezig was, zo luidde de reactie. Opmerkelijk genoeg verwachtte EZ toen al geen groot rendement en wilde het ministerie de staatskosten zo laag mogelijk houden om het bedrijf succesvol te laten opereren. 

    De minister sprak met Billiton af dat 4,35 gulden cijns per ton ‘nuttige aangewende zouten’ per jaar zou betalen. Dit bedrag zou vanaf 1992 tien jaar lang jaarlijks met 4,2 procent worden verhoogd. Ook betaalde de staat 40 procent van de gemaakte kosten voor proefboringen, wat neerkwam op 10,5 miljoen gulden, en gaf EZ 40 miljoen gulden subsidie (Billiton had 60 miljoen gevraagd). De schuld van rond de 10 miljoen gulden die de staat bij Billiton had voor de gemaakte kosten, zou met de cijns worden verrekend. Dit komt erop neer dat de cijns niet hoefden worden afgedragen. Op 15 juli 1980 werd de concessie uiteindelijk verleend. De zoutproductie in Veendam, die al jaren proefdraaide, was beklonken.

    Als de overheid al stiekem had gehoopt op een melkkoe à la Gronings gas, dan kwam ze bedrogen uit. De opbrengsten bleven ver achter bij de toch al gematigde verwachtingen. In 1983 trok minister Gijs van Aardenne van EZ dan ook de stekker uit de samenwerking: hij beëindigde de staatsdeelneming. Hij vond het niet langer verantwoord gemeenschapsgeld in Veendam over de balk te gooien. Door de recessie, de slechte markt en ingestorte staalindustrie had mijnbouwbedrijf Billiton tussen 1982 en 1983 een verlies geleden van 120 miljoen gulden. De verwachting was dat dit in 1984 zou oplopen tot 200 miljoen. De NOM droeg haar aandelen over aan Billiton, waardoor de Shelldochter de enige eigenaar van het zoutbedrijf werd.

    ‘Een aanzienlijk werkgelegenheidsaspect’

    In 1994 dreigde de zoutwinning in Veendam voorgoed te stranden. Shell was bezig alle bedrijven af te stoten die niet tot hun corebusiness hoorden en Billiton werd van de hand gedaan. Sluiting van de fabriek in Veendam dreigde. Maar het management zag nog wel toekomst voor het bedrijf, mits het de productietoepassingen zou uitbreiden. Het lukte om twee investeerders te vinden: het Belgische Lhoist en, opnieuw, de NOM.

    Volgens Geert Buiter, plaatsvervangend directeur van de NOM en lid van de Raad van Commissarissen (RvC) van Nedmag, was de situatie veranderd: ‘Toen wij in 1994 besloten te investeren in Billiton waren de vooruitzichten positief. Er was vertrouwen in de markt en het management en het werkgelegenheidsaspect waren ook toen al aanzienlijk. En met Lhoist hadden we een partner die samen met ons voor de continuïteit van de onderneming kon zorgen.’

    Hans Stribos, vicepresident commercial Lhoist

    "De NOM kent de mentaliteit hier, de mensen, de omgeving. Ze zijn voor ons heel belangrijk als noordelijke partner"

    Dat Belgische familiebedrijf met een jaarlijkse omzet van 2,2 miljard euro produceert kalk, dolomiet en andere mineralen in 25 landen en heeft wereldwijd 6400 werknemers, waarvan 765 in België. Hans Stribos, senior vicepresident commercial bij Lhoist, en ook lid van de Raad van Commissarissen van Nedmag, bevestigt de goede samenwerking met de NOM: ‘Lhoist was een grondstofproducent en had ervaring met vuurvaste stenen, het product dat Nedmag maakte. Onze kennis konden we goed inbrengen, we hadden veel knowhow van de markt, maar de NOM kent de mentaliteit hier, de mensen, de omgeving. Ze zijn voor ons heel belangrijk als noordelijke partner.’

    De nieuwe aandeelhouders troffen een bedrijf aan met veel technische kennis, maar dat de mogelijkheden van het zout niet ten volle benutte. Stribos: ‘Wij brachten marktkennis mee en stuurden daarop aan. Nu werken er ook mensen die alleen maar met de markt bezig zijn.’ De aandeelhouders wilden het bedrijf bestendiger maken en moedigden de ontwikkeling van andere toepassingen voor het magnesiumzout aan. Op deze manier zou Nedmag minder afhankelijk zijn van de fluctuerende markt van de vuurvaste stenen, die sterk wordt beïnvloed door andere industrieën, zoals staal, cement en glas. 

    Samen met andere partners, waaronder Nedmag, richtte de NOM bijvoorbeeld in 1996 het Antheus Magnesium Development Program Delfzijl op. Een stuurgroep die de haalbaarheid van, onder andere, een magnesiummetaalfabriek in Delfzijl moest onderzoeken. Wat in de jaren zeventig al niet gelukt was, bleek ook nu niet haalbaar. In 2006 strandden deze pogingen opnieuw. Als gevolg van de hoge energieprijzen was het onmogelijk om te concurreren tegen het goedkope Chinese magnesium. 

    Nedmag en NOM: een symbiotische relatie

    Anno 2019 is Nedmag inmiddels de oudste deelneming van de NOM. Toch is de zoutwinner geen vreemde eend in de bijt, zegt Geert Buiter: ‘Een deel van onze portefeuille bestond altijd uit overnames van bestaande bedrijven. De mengeling van starters/jonge bedrijven en bestaand bedrijfsleven is een bewuste keuze. Onze investeringen variëren van 50.000 euro tot 2,5 miljoen. Dat past ook wel bij een maatschappij die vanuit een ontwikkelingstaak investeert.’

    De NOM en Nedmag hebben een symbiotische relatie, ze hebben elkaar nodig. Op het eerste gezicht levert Nedmag de NOM niet zo heel veel op. In de topjaren behaalde Nedmag een winst van rond de 10 miljoen, maar veel vaker was het minder. Nedmag draait wel een omzet van rond de 100 miljoen, maar 80 procent daarvan gaat op aan de hoge productiekosten. In 2008 en 2009 draaide het bedrijf zelfs verlies en moesten de aandeelhouders Nedmag met een lening van 4 miljoen euro uit de brand helpen. Die is inmiddels terugbetaald en vanaf 2011 kon er weer dividend worden uitgekeerd. Dat is het enige wat de NOM aan Nedmag verdient. 

    Buiter: ‘Het is niet zo dat Nedmag alle jaren dividend heeft kunnen uitkeren. Maar als het wel een keer kan, dan juichen we dat natuurlijk toe. Al eisen we geen dividend als het bedrijf het niet kan opbrengen, alleen omdat we er recht op zouden hebben. Daar worden geen messen over getrokken.’ Nedmag-directeur Bert Jan Bruning bevestigt dit: ‘We keren ongeveer de helft van de winst uit als dividend. Je zou bijna kunnen zeggen, dat is het geld waar we niets meer voor wisten te verzinnen. Alle investeringen, plannen voor innovatie en andere activiteiten, zijn daar dan al van af getrokken.’

    Het lijkt op het eerste gezicht niet veel, maar voor de NOM zijn dit belangrijke bedragen

    Het lijkt op het eerste gezicht niet veel, maar voor de NOM zijn dit belangrijke bedragen. De investeringsmaatschappij ontvangt jaarlijks bijdragen van het Rijk en de drie noordelijke provincies, in 2018 was dat 1.025.000 euro van de provincies en 1.039.000 euro van het Rijk. Daarnaast verdient de NOM aan rente-inkomsten op leningen, de verkoop van participaties en aan dividenduitkeringen. De meeste participaties zijn echter veel kleiner dan Nedmag, dus de bijdragen van het zoutbedrijf bepalen voor een groot deel de opbrengst uit dividend. Over 2017 keerde Nedmag bijvoorbeeld 4,2 miljoen dividend uit. De helft daarvan, rond de 2,1 miljoen euro, ontving aandeelhouder NOM, die in dat jaar uit alle participaties afgerond 2,8 miljoen euro ophaalde. Nedmag was dus goed voor 75 procent van alle inkomsten uit dividend. Ook in de andere jaren dat Nedmag dividend uitkeerde, spekten deze bedragen de kas van de NOM behoorlijk. Over de afgelopen tien jaar ontving de ontwikkelingsmaatschappij afgerond 24 miljoen euro van Nedmag.

    Dit geld investeert de NOM dan weer in de regio, legt Buiter uit: ‘We hebben de afspraak met onze aandeelhouders, de drie provincies en EZ, dat in principe het geld dat terugkomt uit onze investeringen, weer teruggaat in het fonds. Daarmee wordt het een revolverend fonds: dat geld is weer beschikbaar voor nieuwe investeringen. Dus we hebben ook met onze aandeelhouders geen vast dividendbeleid. Sterker nog, we hebben nu de afspraak dat er in principe geen dividend naar de regionale aandeelhouders terug hoeft, en ook niet naar het ministerie. Zo is het geld steeds weer opnieuw te gebruiken voor investeringen.’

    Geen actief exit-beleid

    Het is dus niet zo gek dat de NOM niet van Nedmag af wil, zelfs nu de aandacht voor de negatieve gevolgen en daarmee de kritiek op de zoutwinning toeneemt. Uit het jaarverslag 2013: ‘Een klein aantal participaties wordt door ons als strategisch aangemerkt, en daarmee wordt op die ondernemingen geen actief exit-beleid gevoerd. Een voorbeeld van een dergelijke strategische participatie is Nedmag Industries BV te Veendam.’

    Zelfs al zou de NOM Nedmag van de hand willen doen, dan nog zou dat geen makkelijke klus worden. Door de 50/50 aandelenverhouding moet de NOM volgens het vennootschapscontract haar aandelen eerst aanbieden aan Lhoist. Dan zou de zoutwinner helemaal in buitenlandse handen komen. Als dat bedrijf geen interesse heeft, zijn de Nedmag-aandelen moeilijk aan de man te brengen, geeft Buiter toe: ‘Een 50/50 verhouding is, ik zou bijna zeggen, lastig te verkopen aan een andere partij. Maar dat zou een negatieve redenering zijn. De positieve redenering is dat we een heel positieve werkrelatie hebben met onze mede-aandeelhouder Lhoist. Die wil ook graag dat wij blijven en heeft geen intentie om te verkopen. Ze zien het belang van een regionale medeaandeelhouder, het regionale netwerk dat we hebben, de kennis en contacten die we met overheden kunnen hebben, als dat nodig is.’

    Geert Buiter, plaatsvervangend directeur NOM

    "Een 50/50 aandelenverhouding is, ik zou bijna zeggen, lastig te verkopen aan een andere partij. Maar dat zou een negatieve redenering zijn"

    Lhoist heeft niet alleen als aandeelhouder baat bij een goedlopend Veendams zoutbedrijf, maar het is tegelijkertijd ook leverancier van Nedmag. Voor de bewerking van het magnesiumzout tot magnesiumoxide, de grondstof voor vuurvaste stenen, is een bepaalde kalk nodig, dolomiet. Dat haalt Lhoist uit haar mijnen en levert dit al sinds het begin van de zoutwinning aan Nedmag. De bedrijven zijn hierdoor steeds verder verstrengeld geraakt. ‘Sinds we in Nedmag gestapt zijn, hebben we onze productie in onze groeve in Marche-les-Dames steeds verder aangepast aan de kwaliteitseisen van Nedmag. Op dit moment wordt het mining-plan van de groeve bepaald door Nedmag,’ vertelt Stribos. Voor het Belgische bedrijf is eruit stappen daarom nooit een optie geweest. De langetermijnplanning van de NOM past daarom ook goed bij Lhoist. Stribos: ‘We zijn een familiebedrijf, dat denkt in generaties. We kopen bijvoorbeeld geen kalksteenvoorkomen als het minder dan dertig jaar mee gaat. We plannen voor vijftig of zelfs honderd jaar. En voor de NOM is het natuurlijk ook een goede zaak als het bedrijf hier nog veertig jaar kan bestaan.’

    Werk, werk, werk

    Het belangrijkste argument om Nedmag te behouden, zijn echter niet de financiële baten, zegt Buiter. Het aspect dat voor de regio cruciaal is: werk, werk, werk. Aan wie je het ook vraagt, directie, aandeelhouders, UWV of vakbond: ze noemen allemaal dezelfde reden voor het behouden van Nedmag: werkgelegenheid. Het zoutbedrijf is een belangrijke banenmotor voor Oost-Groningen, zeggen zij. 

    Deze focus op werkgelegenheid heeft alles te maken met de broze economische situatie van het gebied. De werkloosheid is er hoger dan elders in het land, er is meer armoede en ook het opleidingsniveau ligt er lager. Factoren die allemaal met elkaar samenhangen. Elke baan die behouden kan worden, telt.

    Hoeveel werkgelegenheid biedt Nedmag? Deze vraag is niet zo makkelijk te beantwoorden. Bij het zoutbedrijf zelf werken zo’n honderdvijftig mensen, voornamelijk in banen waarvoor een hoge opleiding is vereist. Zelf meldt het bedrijf op de site dat het goed is voor 750 banen in de regio. Sommige zijn direct afgeleid van de zoutwinning, zoals de honderd mensen die bij Nedmags buurman, het Japanse chemiebedrijfKisuma werken, en de kleine twintig werknemers van Zechstein en Zechsal (bedrijven die gezondheidstoepassingen maken van het zout. 

    Navraag bij de provincie leert echter dat er geen hard onderzoek is naar deze cijfers, maar dat het getal een ‘uitgangsbasis’ is

    Andere zijn indirect verbonden aan Nedmag, zoals leveranciers, werknemers van logistiek-, water- en energiebedrijven, maar ook de bakker die de lunch van de werknemers verzorgt. Juist deze groep in die tweede, indirecte schil is lastig te meten. Nedmag-directeur Bert Jan Bruning beweert dat het getal gebaseerd is op onderzoek van de provincie Groningen. Navraag bij de provincie leert echter dat er geen hard onderzoek is naar deze cijfers, maar dat het getal een ‘uitgangsbasis’ is. ‘Wij tellen dat soort dingen niet. Het bedrijf levert dit getal aan en dit komt overeen met wat bij onze afdeling bekend staat,’ stelt een woordvoerder.

    Het UWV spreekt over vijfhonderd tot zevenhonderd banen. De uitkeringsinstantie is huiverig voor uitspraken over Nedmag en de regio. Een medewerker, die anoniem wil blijven, zegt dat het dossier ‘gevoelig ligt’, omdat men het bedrijf voor Oost-Groningen niet wil verliezen. ‘Het gebied is voor werkgelegenheid vooral afhankelijk van de collectieve sector, de overheid en sociale werkplaatsen, dus elke werkgelegenheid is welkom,’ legt Erik Oosterveld, arbeidsmarktadviseur van het UWV, uit. 

    Uit recente cijfers van het UWV blijkt inderdaad dat de werkloosheid in de regio hoger is dan elders, maar dat dit voornamelijk om mensen met weinig specialistische opleidingen gaat. Vacatures voor hoogopgeleiden zijn juist lastig in te vullen. Angela Timmer van de Kompanjie, de werkorganisatie voor de gemeenten Pekela en Veendam, beaamt dit: ‘Ook in Veendam is de vraag naar personeel groter dan het aantal beschikbare mensen. Er is bijvoorbeeld veel vraag naar mensen in de bouw en techniek, en weinig aanbod daarin van mensen.’

    ‘De lager opgeleide werklozen kunnen niet direct bij Nedmag aan de slag, dat is specialistisch werk,’ geeft Oosterveld (UWV) toe. Het zoutbedrijf heeft een andere belangrijke functie, stelt hij. ‘Nedmag is vooral belangrijk om hoogopgeleiden naar de regio te halen en hen er te houden. Ook voor de indirecte banen is het belangrijk, maar vooral voor het beeld van de regio en het vestigingsklimaat.’ Niet alleen het ‘kringetje eromheen’, zoals bijvoorbeeld horeca en schoonmaak, profiteert dus, maar ook de mensen die bij een toeleverancier worden opgeleid en uiteindelijk een specialistische baan, bijvoorbeeld in de techniek, kunnen vervullen. Vakbondsbestuurder Lex Makkinje (FNV) bevestigt dit: ‘Het werkgelegenheidsargument is van belang in een regio waar het werk niet voor het oprapen ligt. Nedmag en Kisuma zorgen ervoor dat werknemers in de streek blijven wonen, hun kinderen gaan er naar school. Dat is allemaal opbrengst. Er is dus wel degelijk een groot economisch belang.’ Als het lukt om door de aanwezigheid van Nedmag ook andere bedrijven naar de regio te halen, groeit bovendien het aantal arbeidsplaatsen.

    Lex Makkinje, FNV

    "Nedmag en Kisuma zorgen ervoor dat werknemers in de streek blijven wonen, hun kinderen gaan er naar school. Dat is allemaal opbrengst"

    Dit kan Geert Buiter van de NOM alleen maar beamen. ‘Het is een innovatief bedrijf, dat straalt ook af op de regio. Dat zie je ook in dingen die ze doen, zoals met de innovatiehub met Avebe, Hempflax, de RUG en de Hanze. Hoger opgeleide mensen hier iets te kunnen bieden, daarin speelt Nedmag een belangrijke rol. Want dat blijft het moeilijke van deze regio. Er worden hier heel veel mensen opgeleid, die kunnen nooit allemaal hier in de regio aan het werk. Dat hoeft ook niet. Maar hoe houd je wel ook hoogopgeleide mensen vast voor de regio? Dat kun je doen door het werkklimaat plezierig te maken, het leefklimaat, maar je moet ook domweg werk voor ze hebben. In dat weefsel speelt Nedmag voor ons als NOM een belangrijke rol.’

    Het indirecte effect van Nedmag

    Werkgelegenheid is dus hét argument om Nedmag te behouden. Het lijkt tegenstrijdig dat de factor banen zo belangrijk is, maar niet beter gemeten wordt. Maar volgens Buiter is het precieze aantal niet eens zo belangrijk. ‘Je hebt een indirect effect, daar kun je allerlei formules op loslaten, van toeleveranciers, onderhoudsbedrijven. Of dat nou uiteindelijk op zevenhonderd banen uitkomt of driehonderd, dat zijn er voor die regio hoe dan ook veel, dus het economisch belang is gewoon groot. Het is voor die regio ook zeker hoogwaardige werkgelegenheid.’

    Dat werkgelegenheidsargument speelt al sinds het begin van de zoutwinning een rol. Zowel de provincie Groningen als EZ repten in hun adviezen en besluiten over de concessieverlening over de werkgelegenheid die zoutwinning voor de regio kan brengen. Zelfs het getal van zevenhonderd banen werd toen al genoemd, al had dit betrekking op de magnesiummetaalfabriek die er uiteindelijk nooit kwam. Ook toen de overheid uit Billiton stapte, werd het argument weer van stal gehaald. 

    Om het bedrijf te behouden, en daarmee hopelijk ook arbeidsplaatsen, hoefde het naast de cijns ook geen rente meer te betalen. De staat hield zich het recht voor na twintig jaar weer cijns te heffen, maar dat is nooit gebeurd. Als een soort mantra is het argument van werk voor Oost-Groningen door de jaren heen herhaald, waardoor er weinig ruimte bleef voor andere argumenten, want wie is er nou niet voor werkgelegenheid in de regio?

    Hoe staat het bedrijf er nu voor?

    In maart 2018 nodigde Provinciale Staten Jakoba Gräper, als verklaard tegenstander van de zoutwinning, uit om een vergadering bij te wonen. Daar vertelde ze over de schade en overlast die haar dorp al jaren ondervindt door de zoutwinning. Ze waarschuwde voor ernstige gevolgen en vroeg zich af of er eerst een gevaarlijk incident moest plaatsvinden voordat de politiek zou ingrijpen. 

    Hoe snel ze daarin gelijk zou krijgen, wist ze toen nog niet. Op 20 april 2018, een maand na de hoorzitting, ging het mis bij de winningslocatie vlakbij haar huis. Voor het eerst in de geschiedenis van het zoutbedrijf, ontstond er een groot lek in een van de zoutcavernes. 75 miljoen liter pekel lekte weg. Hoeveel van de 400.000 liter dieselolie uit de caverne is weggestroomd weet niemand. Tot op heden is niet bekend waar dit precies is terechtgekomen. Het zoutbedrijf was daardoor genoodzaakt de activiteiten op de belangrijkste locatie stil te leggen. Alternatieve locaties kon het niet aanboren, omdat het winningsplan nog niet is goedgekeurd. Financieel lijkt het echter geen lastig jaar te zijn geweest. Het jaarverslag over 2018 is weliswaar nog niet gedeponeerd, maar volgens directeur Bruning is er over 2017 4,2 miljoen euro dividend uitgekeerd en was ook 2018 geen slecht jaar.

    In de hele regio heerst daarom het gevoel dat de toezichthouder ‘wel blaft maar niet bijt’

    Ondanks de goede resultaten heeft het bedrijf de stemming niet mee. Mede door het zich voortslepende gasdossier is er steeds minder draagvlak voor activiteiten in de Groningse ondergrond. Stichting Stop Zoutwinning en de Bewonersgroep Borgercompagnie strijden onverminderd tegen de zoutwinning. Ook op andere locaties in de provincie, waar zoutbedrijf Nouryon zout wint, zijn protestgroepen ontstaan, die vrezen dat de geschiedenis zich herhaalt. Schades die niet worden erkend of betaald, grote bedrijven die de bewoners van het kastje naar de muur sturen en een overheid die niet ingrijpt. Dat instanties als SodM volhouden dat het zout niet te vergelijken is met het gas, omdat de winning veel minder impact zou hebben, stelt hen niet gerust. Ook bij de gaswinning werd immers lange tijd beweerd dat het wel meeviel met de schade. In de hele regio heerst daarom het gevoel dat de toezichthouder ‘wel blaft maar niet bijt’. 

    Hoofd Ondergrond bij SodM, Wouter van der Zee, begrijpt de gevoelens, maar zegt dat die indruk niet klopt: ‘Ik denk dat de betrokken zoutbedrijven dat heel anders voelen. Nee, wij leggen niet zomaar een bedrijf stil. Maar we treden wel degelijk op als dat nodig is. Daar zijn voldoende voorbeelden van, zoals in Heiligerlee en bij Nedmag, waar we betere en nieuwe plannen hebben geëist. En we hebben Nouryon onder verscherpt toezicht gesteld na lekkende putten in Twente.’ Hij wijst er bovendien op dat SodM de minister alleen kan adviseren. Knopen doorhakken doet alleen de minister van EZK. Als de toezichthouder blaft, kan EZ dat advies naast zich neerleggen, zoals in het verleden is gebeurd bij de gaswinning. In de afgelopen jaren is echter wel geluisterd, stelt SodM.

    Hans Stribos, vicepresident commercial Lhoist

    "We hebben geen scenario klaarliggen. Als er geen vergunning komt, moeten we afbouwen, maar voor dat plan hebben we nog wel tijd"

    Voor Nedmag hangt alles nu af van de beoordeling van het winningsplan. Dit wordt echter niet niet meer dit jaar verwacht. Door het gasdossier zijn alle eisen strenger geworden en duurt de procedure langer dan voorheen. De aandeelhouders houden hun hart vast, maar blijven geloven in het bedrijf. Stribos: ‘We praten er natuurlijk wel over, maar we hebben geen scenario klaarliggen. Als er geen vergunning komt, moeten we afbouwen, maar dan hebben we nog wel tijd om dat plan in elkaar te zetten. We willen daar niet op vooruitlopen. De eisen worden steeds strenger, dat zie je in heel Europa, daar moet een bedrijf zich gewoon aan aanpassen, anders houdt het op.’ Voor Lhoist zou dat verregaande gevolgen hebben. ‘Dan moet de zaak in de groeve herzien worden, er zal dan behoorlijk wat omgebouwd moeten worden bij ons. Dat zou redelijk rampzalig zijn, ook emotioneel: voor de familie zou dat moeilijk zijn.’

    Hij hoopt daarom dat het niet zo ver komt en blijft als aandeelhouder nauw betrokken bij de ontwikkelingen. Net als de NOM. Buiter: ‘Wij vinden het ook van belang om bij Nedmag betrokken te blijven, juist omdat het een bedrijf is dat op dit moment onder het vergrootglas ligt. Ook als aandeelhouder kun je meekijken of het de goede keuzes maakt. Vooral vanuit het economische belang voor de regio dat we nog steeds zien.’

    Vrij grote omslag na incident

    Ook directeur Bert Jan Bruning ziet nog steeds toekomst voor zijn bedrijf en probeert een handreiking te doen naar de critici: ‘Ik denk dat het vergunbaar is. We hebben alle zaken meegenomen, ook de problemen van vorig jaar in april. Wat ik niet kan doen, is het verleden terugdraaien. Als we in het verleden verkeerd hebben gecommuniceerd, en dat heb ik ook tegen de bewoners gezegd: sorry, daar kan ik niets meer aan doen. Als wij de bomen niet hebben geplant die wij veertig jaar geleden beloofd hebben, dan plant ik ze nu alsnog. Maar ik kan niet terugdraaien dat ze toen niet zijn geplant.’

    Het is alleen de vraag of hij hiervoor nog de kans krijgt. De toezichthouder staat niet negatief tegenover het zoutbedrijf. Van der Zee (SodM) prijst juist de voortvarendheid waarmee Nedmag veranderingen in gang heeft gezet, net als de transparantie die het bedrijf toont. ‘Wij roepen bij elk dossier, dus ook de zoutwinning, tegen het ministerie en andere stakeholders: wees transparant en neem mensen er in mee. Dan worden ze misschien wel kritischer, maar ze zijn dan ook beter geïnformeerd. Bij Nedmag hebben we na een stevig incident daar een vrij grote omslag gezien. Zo is er veel meer communicatie met de omgeving.’

    Die strategie lijkt dus vruchten af te werpen. En hoewel Nedmag en de NOM zeggen niet actief te lobbyen voor behoud, zegt Buiter ook dat ze ‘altijd de werkgelegenheid onder de aandacht zullen brengen’ als de minister of de provincies ernaar vragen. Een duivels dilemma voor met name de provincie, maar ook voor het Rijk. Ze moeten kiezen of ze de werkgelegenheid en de financiering van de NOM, en daarmee indirect nog meer werkgelegenheid, willen opofferen voor de beperking van een schade waarvan de omvang nog niet bekend is.

    Dit artikel kwam tot stand in samenwerking met Martijn Folkers van RTV Noord.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Birte Schohaus

    Academia-dissident en Groninger at heart. Schrijft over media, politiek en alles ertussen.

    Volg Birte Schohaus
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren
    Dit artikel zit in het dossier

    FTM Lokaal

    Gevolgd door 1000 leden

    Van Noord-Oost Groningen tot Zeeuws-Vlaanderen en van Den Helder tot Maastricht: deze waakhond komt naar je toe.

    Volg dossier